100410: Document 15 oktober 1999 ‘samenvoeging’

Volgens het document van 15 oktober 1999 zouden de onderste twee bouwlagen zijn samengevoegd. Hiervoor is echter nimmer de benodigde vergunning verstrekt waar tegen Bremer en andere betrokkenen bezwaar en beroep hadden moeten kunnen aantekenen.
Het document van 15 oktober 1999 kreeg Bremer niet van het stadsdeel, maar kreeg hij pas veel later van bureau informatie management dat destijds de mutaties in het woningenbestand doorvoerde. (zie 991015)
Als Bremer destijds van het document van 15 oktober 1999 op de hoogte was, had hij de mogelijkheid gehad om bezwaar te maken tegen de onrechtmatige “samenvoeging” en de verwijdering van de distributiewoning 2eJvdH89-1 uit het woningenbestand.

100407: Procedures tegen adresbeschikking

In zijn bezwaarschrift tegen de adresbeschikking maakte Bremer bezwaar tegen:
1.de bestemmingsverandering van 2eJvdH89-H van bedrijf naar bedrijf + woning;
2.het verdwijnen van het adres 2eJvdH89-1 (zie 991102).
De beroeps- en bezwaarschriftencommissie besteedde echter geen aandacht aan het verdwijnen van het adres 2eJvdH89-1. Formeel is dat ook juist, omdat volgens de adresbeschikking alleen de bestemming van 2eJvdH89-H was veranderd en alleen daar bezwaar tegen gemaakt kon worden.
Het bezwaar tegen de adresbeschikking werd door de beroeps- en bezwaarcommissie en de bestuursrechter als niet-ontvankelijk en/of ongegrond aangemerkt.
Bij de hoger beroepszaak bij de Raad van State was (“vrijwel”) alle informatie over het ten onrechte afvoeren van het adres 2eJvdH89-1 bekend.
Hoewel de Raad van State op 5 december 2001 de aangevallen uitspraak van de bestuursrechter bevestigde, stond in de overwegingen wel de essentie van het dilemma. Het ging in feite niet om de adresbeschikking maar om het feit dat de zelfstandige woning 2eJvH89-1 uit het woningenbestand was verwijderd zonder voor beroepvatbaar besluit.
Volgens de Raad van State was voor het afvoeren van het adres 2eJvdH89-1 aanvullende besluitvorming nodig op grond van de Huisvestingswet en daarbij had een mogelijkheid van bezwaar (en beroep) moeten worden aangeboden. (zie 11205).
Er is echter nimmer een samenvoegingsvergunning verstrekt voor de samenvoeging van 2eJvdH89-H met 2eJvdH89-1, zodat Bremer ook geen bezwaar kon maken.
Er is alleen een document gemaakt op grond waarvan het adres 2eJvdH89-1 kon worden afgevoerd. Volgens dit document dat door Ed Molekamp is opgesteld (991015) zou er sprake zijn van een samenvoeging na een verbouwing.
Aan een samenvoeging moet volgens de Raad van State specifieke besluitvorming op grond van de Huisvestingswet met de daarbij horende mogelijkheden van bezwaar (en beroep) vooraf gaan.
Er is echter nimmer een samenvoegingsvergunning verstrekt, zodat Bremer ook geen bezwaar kon maken tegen de samenvoeging en het verwijderen van het adres. Met andere woorden het stadsdeel heeft onrechtmatig gehandeld door het adres 2eJvdH89-1 zonder voor beroep vatbaar besluit af te voeren.

100402: Na 8 jaar bureaucratische dwalingen verstrekt RaadvState adres 2eJvdH89-1

Vanaf 20 oktober 1999 waren er meer dan 50 verzoeken nodig om het stadsdeel te moveren een voor beroep vatbaar besluit te nemen over de toekenning van een adres aan de zelfstandige woning 2eJvdH89-1.
De verzoeken werden of niet beantwoord of zo beantwoord dat er geen mogelijkheid werd geboden om in beroep te gaan tegen de weigering om een voor beroep vatbaar besluit te nemen.
Toen het hoofd van de afdeling Handhaven Bouwen en Wonen Redband Visser medio 2003 ontslag had genomen kwam er een plaatsvervangend afdelingshoofd met een juridische achtergrond.
Op 18 december 2003 verzocht Bremer weer om de samenvoeging ongedaan te maken en een adres toe te kennen aan de zelfstandige woning op de eerste verdieping (zie 31218). Dit verzoek werd een jaar lang gebagatelliseerd.
Een goed voorbeeld van de wijze hoe het stadsdeel Bremer zijn verzoek bagatelliseerde is de brief van 21 oktober 2004  (zie 41021). Op 21 oktober 2004 schreef het stadsdeel dat er op grond van de adresbeschikking geen juridische termen aanwezig zouden zijn om mijn verzoek voor beroep vatbaar besluit over de toekenning van een adres aan de woning 2eJvdH89-1 te honoreren.
Op grond van mijn reactie van 22 oktober 2004 (41022) en de email van het plaatsvervangende hoofd van de afdeling Handhaving Mr. Runderkamp (41024) heeft de heer Runderkamp Bremer geadviseerd om een bezwaarschrift in te dienen. Volgens de heer Runderkamp zou een weigering om een voor beroep vatbaar besluit te nemen, opgevat kunnen worden als een besluit waartegen bezwaar gemaakt kan worden.
Op 5 november 2004 stuurde Bremer een bezwaarschrift dat ook in behandeling werd genomen, waardoor de rechtsgang weer openstond (41105).
Een dag later kreeg Bremer van het nieuwe hoofd handhaving een brief waarin hem werd gevraagd rekening te houden met de grote claim op de beperkte capaciteit van het stadsdeel (41104).
In de procedures die volgende heeft het stadsdeel stug vol gehouden dat de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 geen adres hoefde te hebben.
Na bijna 3 jaar procederen oordeelde de Raad van State echter dat de zelfstandige woning wel degelijk een apart adres zou moeten hebben. (zie toelichting hoger beroepsschrift 70422).
Op 29 augustus 2007 (70829) vernietigde de Raad van State alle besluiten over de structurele weigering van het stadsdeel om een adres toe te kennen aan de zelfstandige woning 2eJvdH89-1.
Met terugwerkende werd door de Raad van State zelf weer een adres toegekend aan 2eJvdH89-1.
Sinds 18 oktober 1999 ontving Bremer 4 ordners met brieven en documenten van het stadsdeel waarin het stadsdeel haar stelling verdedigde dat het niet nodig was om aan de zelfstandige woning op de eerste verdieping een adres toe te kennen.

70629: Aangifte inzake verdachte vastgoedtransacties stadsdeel Oud Zuid

Tijdens mijn laatste raadsvergadering op 1 maart 2006 (zie 60301) heb ik als raadslid een interpellatie aangevraagd over twee dubieuze vastgoedtransacties van stadsdeel Oud Zuid. De toenmalig voorzitter van de stadsdeelraad van Oud-Zuid Egbert de Vries heeft de interpellatie niet toegestaan. Aangezien ik niet werd herkozen en andere raadsleden dit onderwerp niet oppakten heb ik een dossier aangeboden aan de hoofd officier van Justitie.
Het dossier is bekeken door een Officier van Justitie en het Functioneel parket. Door miscommunicatie is de aangifte lang blijven liggen en er is nog geen officiële beslissing over het dossier genomen. Waarschijnlijk belandt dit dossier in een archief.
Tegen sommige in het dossier genoemde personen is op 29 juni 2007 aangifte gedaan, maar zullen op wellicht een enkeling na niet worden vervolgd. De artikelen zijn delen van de aangifte en moeten ook zo geïnterpreteerd worden. Beweringen zijn zo veel mogelijk gestaafd met bewijsstukken. Sommige privacy gevoelige teksten zijn weggelaten.
Nadat dit dossier is overgedragen aan het OM heeft de Raad van State geoordeeld dat het stadsdeel tot twee keer toe onrechtmatige heeft gehandeld.
Op 29 augustus 2007 (zie70829) oordeelde de Raad van State dat het stadsdeel de huisvestingswet en de APV niet hadden gehanteerd en zonder samenvoegingsvergunning de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H en de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 hadden samengevoegd.
Op 23 december 2009 (zie 91223) vernietigde de Raad van State een besluit van het stadsdeel om mij kosten in rekening te brengen voor het zonder overleg slopen van onder andere de voorgevel van het pand 2eJvdH89.

De oorspronkelijke aangifte is gesplitst in de volgende artikelen:
0. Inleiding
1. Slechts 3 personen uitgenodigd voor “openbare” inschrijving panden stadsdeel  
1a. 2e Jan van der Heijdenstraat 87+95
1b. Quellijnstraat 138-2
1c. Wat maakt de verkoop van de stadsdeelpanden dubieus?
1d. Samenvatting dubieuze verkoop panden
2. Willekeur en onrechtmatig handelen ambtenaren stadsdeel
3. Het dubieuze handelen van inspecteur Ron de Waal
4. Scheve vloeren
5. Brandveiligheid
6. Sloopkosten
7. Bijlagen

70610: 1a. 2e Jan van der Heijdenstraat 87+95

Stadsdeel Oud Zuid gaf op 17 oktober 2005 2 panden in de 2eJvdH uit in erfpacht voor samen 375.000 Euro en stelde de prijs van de opstallen vast op waarde nihil (zie 51017). De koper verkocht deze panden binnen een halfjaar door op erfpacht voor totaal EUR 1.500.000 (zie 60411). Met deze transacties had de koper dus totaal EUR 1.500.000 “verdiend”.
Drie kandidaten mochten in 2004 op de panden bieden. Ik heb sterke aanwijzingen dat de drie kandidaten elkaar al kenden en waarschijnlijk ook wisten dat zij tot de zeer selecte groep hoorden die op de panden mochten bieden.
Het is verder merkwaardig dat dezelfde drie (rechts)personen ook mochten bieden op een ander object (Quellijnstraat 138-2).
Waarom slechts deze drie kandidaten mochten bieden is volstrekt onduidelijk.
Kandidaat koper dhr Weijnen kocht in 2003 ook een vrijstaande woning met kantoorruimte van het stadsdeel voor een zeer schappelijke prijs van 112.480 Euro (zie 30917).
De panden van het stadsdeel maakten deel uit van de stadsvernieuwingslocatie 2eJvdH85-99.
In 1999 bood het stadsdeel aan haar 2 panden 2eJvdH87+95 te verkopen aan de andere particuliere eigenaren (waaronder ik) van de locatie. Het stadsdeel is deze aanbieding echter niet nagekomen. Op 2 juli 2004 deed ik een bod op de panden en daarin betrok ik mijn geleden schade als gevolg van het illegaal samenvoegen door het stadsdeel van de zelfstandige woning 2eJvdH89-1met de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H van mijn pand (zie 40702 en 40703).
Van de illegale samenvoeging heb ik aangifte gedaan bij Officier van Justitie Mr. J.E.R. Osinga, omdat ambtenaren van het stadsdeel documenten valselijk hebben opgemaakt.
Op 22 juli 2004 besloot het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel om 2 panden te verkopen in de 2e JvdH voor samen 375.000 Euro (zie 40722). Uit de daarbij gevoegde brief van 22 juni 2004 (zie 40623) blijkt dat de bieder echter niet had voldaan aan de inschrijvingsvoorwaarden. Bij besluit van 22 juli 2004 ging het stadsdeel toch akkoord met de bieding van Sandstenen Projecten, terwijl toen nog niet aan de inschrijvingsvoorwaarden was voldaan. Op 1 augustus 2004 moesten de aanvragen voor de bouwvergunningen zijn ingediend, maar ook aan die voorwaarde werd door Sandstenen Projecten niet voldaan.
Op 17 augustus 2004 is er melding gedaan in de stadsdeelkrant dat er voor 2eJvdH87+95 bouwaanvragen waren gedaan. Destijds heb ik de stukken bekeken en geconstateerd dat deze niet volledig waren. Verder bleek volgens de stempels de datum van binnenkomst 31 juli 2004 te zijn en dat was vreemd genoeg een zaterdag.
Wat hier ook van zij het besluit van 22 juli 2004 was zonder meer onrechtmatig. Volgens de voorwaarden zou er eerst getoetst moeten worden of er voor 1 augustus 2004 een bouwaanvraag was ingediend alvorens akkoord kon worden gegaan met de uitgifte in erfpacht aan Sandstenen Projecten BV. Het besluit had dus pas na 1 augustus genomen kunnen worden.
Uit de brief van 22 juni 2004  blijkt ook dat er aan de inschrijvingsvoorwaarden niet was voldaan. Volgens de inschrijvingsvoorwaarden had er reeds 4 weken na 13 februari 2004 een bouwaanvraag ingediend moeten zijn. Toen bleek dat niet aan deze voorwaarden was voldaan werden de voorwaarden aangepast.
In de brief van 22 juni 2004 staat: “Ik (Hoofd Grondzaken) kan u thans meedelen dat m.b.t. 1 van de inschrijvingsvoorwaarden er thans de voorwaarde wordt gesteld dat de aanvraag voor de bouwvergunning voor 1 augustus 2004 bij de afdeling vergunningen dient te zijn ingediend. E.e.a. ter correctie van de destijds opgenomen termijn van “binnen 4 weken na 13 februari 2004”. Samengevat de secretaris en de voorzitter van het DB hebben met het besluit van 22 juli 2004 (40722) gehandeld in strijd met de inschrijvingsvoorwaarden.

70609: 1b. Quellijnstraat 138-2

Op 6 juni 2005 nam het Dagelijks Bestuur het besluit om Quellijnstraat 138-2 te verkopen aan Zonnebloem BV voor 60.000 Euro (zie 50606).
Wat aan dit besluit op valt is dat er drie (rechts)personen op het appartement mochten bieden en dat dit merkwaardig genoeg precies dezelfde zijn als de bieders op de panden JvdH87+95.
Van de heer Boeren heb ik vernomen dat hij ook tot de bieders op de panden 2eJvdH87+95 behoorde. Eind 2004 waren alle panden op 2eJvdH89 na in het bezit van Boeren en Weijnen (en/of mede-eigenaren en/of BV”s waarvan zij (mede)-eigenaar zijn) (zie 70518)
Net zoals bij 2eJvdH87+95 wordt het appartement Quellijnstraat 138-2 heel snel doorverkocht voor een veel hoger bedrag (zie 60411, 61228a en 61228b).
Mevr. E. Visser heeft in oktober 2005 aangifte gedaan voor de fraude die het stadsdeel pleegde door het zonder toestemming van de VVE verkopen van Q138-2. Zij is op 7-3-2006 op 81 jarige leeftijd overleden. Enige weken daarvoor heeft zij mij diverse dossiers gegeven met het verzoek die voor haar te bewaren en eventuele procedures voor haar voort te zetten.
Mevrouw Visser was voorzitter van de VVE Quellijnstraat 138. Zoals uit de inspraak van mevrouw Visser op de commissievergadering van 6 september 2005 blijkt heeft de VVE geen toestemming gegeven aan het stadsdeel op de woning te verkopen, omdat het stadsdeel nog een aanzienlijke schuld had aan de VVE (zie 50906). In de desbetreffende vergadering is een stuk uitgedeeld waarin het stadsdeel erkent dat het nog een schuld heeft aan de VVE (50815).
Doordat het stadsdeel niet aan de notaris kenbaar heeft gemaakt dat er nog een financieel conflict was met de VVE en de VVE nooit zou toestemmen met de verkoop van Quellijnstraat 138-2 heeft het stadsdeel onrechtmatig gehandeld. Uit de leveringsakte blijkt duidelijk dat het stadsdeel het conflict met de VVE niet aan de notaris heeft gemeld (zie 51208).
De stadsdeelsecretaris en de stadsdeelvoorzitter hebben derhalve met het besluit van 6 juni 2005 onrechtmatig gehandeld.
Bij deze doe ik net zoals mevrouw Visser deed aangifte tegen de heren Boomgaardt en Jaensch in verband met fraude.

70608: 1c.Wat maakt de verkoop van de stadsdeelpanden dubieus?

Blijkens een memo van 8 februari 2005 aan het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel heeft dhr C.A.Baneke aangestuurd op een tender in plaats van een transparante verkoop via de veiling.
In de desbetreffende memo wordt ook het minimumverkoopbedrag van 60.000 Euro genoemd.
De inhoud van dit memo was tot juli 2005 niet openbaar.
Op 18 mei constateerden de betrokken ambtenaren Hovelmann en Baneke dat het maximale precies het minimumverkoopbedrag van 60.000 Euro was (zie 50606) .
De koper en een zakenpartner kochten daarna voor 2,5 keer zo veel de overige appartementen van de eigenaar-bewoners.
Het gehele pand werd na ruim 1 jaar met een winst van totaal 265.000 Euro doorverkocht.
Zie koopsomoverzicht kadaster (70505) en de leveringsakte (51208) . Uit de leveringsakte van Quellijnstraat 138-1 blijkt dat 2 van de personen die werden uitgenodigd om te bieden gezamenlijk eigenaar zijn van Deenik Weijnen Vastgoed BV (zie 61101).
Anders dan in de leveringsakte van 8 december 2005 staat vermeld werd de woning niet bewoond. In december 2005 ben ik met mevrouw Visser in de woning geweest en heb ik kunnen zien dat daar nog wel huisraad stond, maar dat er niet werd gewoond. Dit bleek onder andere uit de hoeveelheid ongeopende brieven en de dikke laag stof op tafels en gebruiksvoorwerpen.
Het is zeker niet ondenkbaar dat ambtenaren van het stadsdeel wisten dat de woning niet werd bewoond op het moment van het opstellen van de tender en de verkoop.
Doordat deze informatie niet bij het Grondbedrijf aanwezig was, kon het blijkbaar akkoord gaan met de lage minimumverkoopprijs van 60.000 Euro.

70605: 3. Het dubieuze handelen van inspecteur de Waal

Inspecteur de Waal kreeg begin 2004 de opdracht de panden van de locatie 2eJvdH87-95 aan te schrijven waaronder de panden 2eJvdH87+95 van het stadsdeel.
Ik had reeds sinds 2000 een bouwvergunning voor 2eJvdH89 en ik had de bovenwoningen reeds klaar gemaakt voor het noodzakelijke funderingsherstel en het horizontaal leggen van de vloeren.
Ik kon echter niet verder met de renovatie, omdat de gebruiker van de bedrijfsruimte weigerde om mee te werken. Doordat het stadsdeel de bedrijfsruimte in 1999 zonder het vereiste besluit had samengevoegd kon de gebruiker, terwijl hij geen woonvergunning en geen huurcontact had voor de woning op de eerste verdieping naar de huurcommissie om huurverlaging aan te vragen op grond van de scheve vloeren. Aanvankelijk werd dit door de huurcommissie afgewezen omdat de overeenkomst betrekking had op bedrijfshuur (zie 10306), maar in laatste instantie werd dit door het Gerechtshof toch toegewezen omdat het gebruikte object volgens de registratie 1 geheel was . Hierdoor kreeg de gebruiker van de bedrijfsruimte er gratis een woning bij met een bijzonder lage huur van 200Euro/mnd voor twee bouwlagen van totaal 160m2. De huur zou pas weer opgetrokken kunnen worden aan de huur van het oorspronkelijke huurcontact bedrijfshuur nadat de vloeren horizontaal waren gelegd. (opmerking: pas op 70829 oordeelde de Raad van State dat het ging om 2 objecten met afzonderlijke bestemmingen)
De gebruiker had er dus alle belang bij om te voorkomen dat dit zou gebeuren.
De gebruiker was vanaf 990730  SV-urgent en kwam in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding van het stadsdeel, maar heeft hiervan nimmer gebruik willen maken, terwijl hij in aanmerking kwam voor alle door de woningbouwverenigingen aangeboden woningen. Ook een tijdelijke stallingsruimte voor zijn motoren wilde hij niet accepteren. Doordat de gebruiker niet wilde meewerken werd het herstellen van de fundering onmogelijk.
Aangezien de overige drie bewoners van mijn pand naar alle tevredenheid gebruik hadden gemaakt van de uitplaatsingsfaciliteiten van de Dienst Wonen en de uitplaatsingsvergoeding van het stadsdeel, waren de bovenste drie verdiepingen reeds sinds medio 2000 klaar voor de renovatie. Aangezien tijdelijke verhuur niet mocht op grond van het uitplaatsingscontract en de toenmalige regels zijn de verdiepingen kaal gesloopt zodat de vloeren horizontaal gelegd konden worden.
In april 2002 werd het pand voor de eerste keer gekraakt. De rechter wilde het pand pas ontruimen als er met het funderingsherstel begonnen kon worden. Uiteindelijk heeft de OvJ het pand laten ontruimen, omdat de krakers veel overlast veroorzaakten en aantoonbaar gereedschappen en bouwmaterialen hadden gestolen.
In oktober 2003 werden de bovenwoningen voor de tweede keer gekraakt. Met bemiddeling van de buurtregisseur zijn daarna zodanige afspraken gemaakt dat ik heb ingestemd met het gebruik van de bovenste bouwlagen door maximaal 2 personen die het pand direct zouden verlaten zodra ik kon beginnen met het funderingsherstel. Met de bewoners heb ik bovendien afspraken gemaakt om in overleg met mij de verdiepingen tijdelijk bewoonbaar te maken.
Door de aankondiging van de aanschrijving werden de bewoners echter argwanend.
Tijdelijk bewoonbaar maken was immers geen optie meer, omdat een grondiger definitieve renovatie volgens de aanschrijving noodzakelijk was.

Als dhr de Waal zijn taak en de opstelling van de aanschrijving volgens de regels en op tijd had uitgevoerd was mijn pand niet in brand opgegaan.
1.Bij het aanschrijven van de panden 2eJvdH89-91-93 hadden de regels van het handboek basiskwaliteit (kader voor actief aanschrijven in Amsterdam) gehanteerd moeten worden.
2.Het stadsdeel had het integrale handhavingsbeleid met betrekking tot brandveiligheid moeten hanteren bij 2eJvdH89.
Dhr de Waal was als inspecteur verantwoordelijk voor bovenstaande 2 punten.
In februari 2004 kondigde het stadsdeel aan dat de panden 2ejvdH87-95 werden aangeschreven door behandelend inspecteur de Waal. Sindsdien heb ik zeer veel contact gehad met dhr de Waal. Zoals uit de bijgevoegde emails blijkt heb ik hierbij veelvuldig gewezen op de brandveiligheid en de scheve vloeren (zie 51108 bericht van 40322).

70602: 6. Sloopkosten

Op de ochtend van 8 maart 2005 na de brand heeft dhr de Waal om 9.00 uur een opdracht verstrekt aan een sloopbedrijf zonder mij daarvan van tevoren op de hoogte te stellen.
Toen ik dit vernam heb ik duidelijk gemaakt dat er aan mijn pand voorlopig nog niets moest gebeuren voordat de oorzaak van de brand was vastgesteld.
Verder heb ik te kennen gegeven dat ik alle werkzaamheden aan mijn pand in eigen beheer wilde doen en dat ik daarvoor per direct een bouwteam beschikbaar had. Ik heb gevraagd wat ik per direct kon en moest doen. Het enige wat ik kon en moest doen volgens Ron de Waal was het ontoegankelijk maken van het pand. Dit heb ik in de middag van 8 maart 2005 gedaan.
Hoewel de naastgelegen panden na de brand op 8 maart 2005 niet meer bewoond zouden worden, werden er kostbare voorzieningen getroffen die veelal overbodig waren.
De eerste weken werden er werkzaamheden aan de panden 2eJvdH87 en 91 gedaan, maar de laatste dagen dat de sloper werkte heeft deze zonder mijn toestemming en zonder enige vorm van overleg houtkool en huisraad uit mijn pand verwijderd en de voorgevel gesloopt.
Hierdoor was het niet meer mogelijk voor mij en derden onderzoek te verrichten naar de oorzaak van brand.
Achteraf heeft dhr de Waal een notitie opgesteld waarin hij o.a. schreef dat ik alle medewerking en opdrachtverstrekking weigerde ondanks 4x herhaald verzoek. (zie 50324)
Op 14 april 2005 kreeg ik van het stadsdeel een werkomschrijving van het sloopbedrijf voor werkzaamheden aan de panden 2eJvdH87-89-91 en op 13 mei 2005 kreeg ik een rekening van het stadsdeel van ruim 45.000 Euro.
Volgens de notulen van de zitting voor de beroeps- en bezwaarschriftencommissie van 22 februari 2007 heeft een lid aan dhr de Waal gevraagd toe te lichten waarom er direct is gekozen voor bestuursdwang. Dhr de waal antwoordde hierop: “Bij dhr Bremer bestond geen enkele bereidheid om op dat moment doelgericht op te treden.”
Dat is onjuist omdat ik had aangegeven dat ik alles in eigen beheer wilde doen en aan de heer de Waal heb gevraagd of er iets aan mijn pand moest gebeuren. De heer de Waal gaf toen alleen aan dat ik het pand moest dichttimmeren en verder niets.

Ik heb vanaf 8 maart 2005 zijn alle (telefoon)gesprekken met dhr de Waal opgenomen.
Op grond van deze gesprekken valt duidelijk af te leiden dat dhr de Waal dhr Bremer geen 4 keer heeft verzocht om een opdracht te verstrekken voordat het stadsdeel een opdracht verstrekte.

Ik verzoek u dhr Ron de Waal te vervolgen voor xxx.

Ik wil later in de gelegenheid gesteld worden om dit dossier aan te vullen en toe te lichten.
Als u na lezing van dit stuk vragen heeft, ben ik graag bereid u meer informatie te verstrekken.
Ik wil u zo nodig graag op alle manieren helpen bij uw onderzoek.

Ik verzoek u de strafbare feiten waarvan aangifte wordt gedaan te doen onderzoeken. Tevens verzoek ik u te worden geinformeerd omtrent de voortgang van het onderzoek en de beslissing ten aanzien van de vervolging als bedoelt in artikel 167 Wetboek van strafvordering.

Waarvan door mij aangifte werd gedaan te Amsterdam op 29 juni 2007.
H.C. Bremer