130404 Dossier 12/3614 schadeclaim onrechtmatige sloop voorgevel 2eJvdH89

Procedure 12/3614 gaat over de schadeclaim ten gevolge van de onrechtmatige sloop van een deel van de voorgevel van 2eJvdH89.
Onderstaande documenten kunt u inzien door op de datum (jjmmdd) te klikken:
130407 Lijst documenten 12/3614 sloop gevel 2eJvdH89 zonder noodzaak en overleg
130405 12-3614 Schadevergoeding aanvulling 1:  + bijlagen 130318+130228+120404
+120315+120309+120110+110314+60321+40702+991015
130318 Persbericht OM: 2 ambtenaren (o.a. Ron de Waal) schikken voor fraude
130228  pleitnota Bremer RvS: Herzieningsverzoek 201211017
130121 B>R Verzoek om procedures af te wachten
121127 B>R Er lopen nog 3 zaken + 111025 +70421
120809 S>R De stukken gaan gepaard met een inventarislijst (A7+8)
1=Beslissing op bezwaar 120612G +120503G +120323GV+ 120323GB+120323GS
120612dwangsom +120323GB+120323S
2=Reactie op bezwaar namens DB 120228
3=aanvulling Bremer 3 120315
4=aanvulling Bremer 2 120309
5=aanvulling Bremer 1 120110
6=bezwaarschrift 110314 + zuiver schadebesluit 110204b
120718 B>R Beroepsschrift + 120612G  in1
120612G   BESLUIT in1
120503G Advies in1
120404 Antwoord WOB-vragen: Ron de Waal gaf geen schriftelijke opdracht
120323GV Verslag in1
120323GB Pleitnota Bremer in1
120323GS Pleitnota Stadsdeel in1
120315 B>S Aanvulling 3 bezwaarschrift  in3 +110204c
120309 B>S Aanvul 2 bezwaarschrift aanspr slopen voorgevel d.d. 60731  in4 +Bijlagen
120308 Opmerkingen Bremer op verweerschrift stadsdeel d.d. 120228
120228 S>B reactie op bezwaar namens DB in2
120223 WOB-vragen over opdrachtverlening sloopwerkzaamheden
120221 Beroepsschrift Raad van State inzake 201200863
120219 Opmerkingen verhoor onder ede inspecteur de Waal door bestuursrechter op 81016
120110 B>S aanvul 1 aansprakelijkstelling slopen voorgevel d.d. 31 juli 2006 (bijlage 5)
111214b S>B Verzoek aanvulling gronden
111213 Rechtbank uitspraak 10-1838: Beroep sloopkosten ongegrond
111025 Inspecteur Ron de Waal wordt vervolgd voor fraude en omkoping
110317 S>B Aanhouding behandeling bezwaarschrift tot 4 weken na uitspaak 10/1838
110314 B>S Bezwaarschrift 0 schade sloop voorgevel 2eJvdH89
110204b zuiver schadebesluit schadevergoeding sloop gevel nav brief 31 juli 2006
110204c S>B geen mediation in 4
100331 B>S Verzoek tot afstemming schadeafwikkeling 2eJvdH89
100309 Verzoek om terugbetaling kosten spoedeisende bestuursdwang
100308 Kennisgeving nieuwe besluit op bezwaar dd 23 februari spoedeisende bestuursdwang
100223  Verslag bespreking met sloper D.Tijsterman over werkzaamheden 8t/m11maart 2005
91228 Bremer verzoekt stadsdeel 45051,79 Euro sloopkosten terug te betalen
91223 RVS>B vernietiging besluit 70605 om Bremer kosten te laten betalen
81016 Procesverbaal verhoor onder ede van inspecteur Ron de Waal
80708b S>B Inspecteur de Waal bewaarde instemmingsverklaring 2eJvdH91 in privé-archief
71107 Krantz & Polak: Kosten stabilisatie gevels en muren met houtskelet 9.000 Euro
70831 Dwangbevel tot betaling kosten spoedeisende bestuursdwang 45.051,79 Euro
70829 RvS: zelfstandige woning 1-hoog moet adres hebben
70605 Besluit om besluit van 50414 te handhaven en achteraf op schrift te stellen
70421 Parool: inspecteur de Waal verdachte in omkoping en corruptie zaak projectontwikkelaar
70204 Kleurenfoto van herstelde voorgevel
70202 Bremer: Aansprakelijkstelling alle schades 2eJvdH89 + wettelijke rente
70107B Alle balklagen vervangen
60801 Bremer: Verrekening sloopkosten 2eJvdH89 15.560 Euro
60731 B>S Aansprakelijkstelling Slopen gevel 2eJvdH89
60730 B>S Aansprakelijkstelling schade 2eJvdH89
60321 Volgens stadsdeel moet pand ontruimd worden als ga- en elektra is verwijderd
50414 S>B Tijsterman kreeg mondelinge opdracht op 8 maart 2005 om 9.00uur
50325 Foto voorgevel gesloopt tot en met leistenen dorpels 2-hoog.
50324 Verslag van inspecteur de Waal van brand op 8 maart 2005
50323 Inspecteur heeft het vermoeden dat Bremer moet betalen en heeft geen ervaring
50321 Foto: Voorgevel wordt met zwaar materiaal steen voor steen afgebroken
50310 Eigenaar Boeren van 2eJvdH91 heeft achteraf ingestemd met vage opdracht aan sloper
50308N Foto: voorgevel, dakgoot en raamkozijnen na brand nog steeds aanwezig
40702 B>S Bremer verzoekt om pand te laten ontruimen ivm brandveiligheid en ontbreken G+E
991015 Afvoer 2eJvdH89-1 zonder voor beroep vatbaar besluit

 

 

 

130114: Bespreking raadsadres in commissievergadering 16 januari

Op 16 januari 2013 wordt het raadadres en het conceptantwoord besproken in de commissie Dienstverlening, Financiën  & Veiligheid.

Hieronder kunt u klikken op de relevante documenten.
Raadsadres 17sep2012 in pdf
Concept antwoord Stadsdeelraad in pdf
Reactie Bremer op brief stadsdeelraad 16jan 1700uur in pdf

Relevante bijlagen:
31204 Huizenhandelaren geinformeerd over minimale prijs op 17dec2003
40107 Kandidaten wisten dat er maar 2 kandidaten waren
40118 Bod Weijnen kom 2 dagen te laat binnen
60301 Interpellatie verzoek Amsterdam Leeft!
60321 Pand had ontruimd moeten worden ivm verwijderen gas+electra meters
70829 RvS uitspraak woning eerste verdieping 2eJvdH89 krijgt weer adres 2eJvdH89-1

 

 

 

 

 

 

U kunt ook doorlinken naar het document met bijlagen.

 

130113: Reacties Bremer op antwoord stadsdeelraad op raadsadres 17sep2012

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Onderstaande tekst betreft de door de griffie voorgestelde brief namens de stadsdeelraad van 16 maart 2013.
Bremer heeft hierbij in vet opmerkingen geplaatst.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Geachte heer Bremer,

In uw raadsadres van 17 september geeft u aan dat u van mening bent dat de
stadsdeelraad in het verleden door het dagelijks bestuur verschillende malen verkeerd is
geïnformeerd. U vat uw raadsadres samen in een viertal vragen:
1. Aan te geven wat de raad wil doen om te voorkomen dat het Stadsdeel nog meer
gemeenschapsgeld verspilt door onroerend goed te verkopen voor een veel te lage prijs.
2. Aan te geven wat het standpunt is van de raad over het verstrekken van onjuiste
informatie door het Dagelijks Bestuur aan de raad in het kader van dit dossier en in het
algemeen.
3. Uw raadsadres van 31 mei 2010 te beantwoorden en in de commissie te behandelen.
4. Het DB te moveren om de interne notitie van 6 januari 2003 openbaar te maken.
Voorafgaand aan het beantwoorden van uw vragen, willen wij in algemene zin nog het
volgende zeggen, over dat wat u in uw raadsadres heeft geschreven.
In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw kocht de lokale overheid woningen van
particulieren aan. De panden werden dan overgedragen aan corporaties die de
achterstallig onderhouden woningen renoveerden of sloopten ten behoeve van
nieuwbouw. In de jaren ’90 werd het slopen van woningen steeds meer vervangen door
behoud en herstel. Dit gold ook voor de woningen in de 2e Jan van der Heijdenstraat 87
en 95 en Quellijnstraat 138 II. Deze waren aangekocht ten behoeve van sloop, maar door
de veranderende maatschappelijke opvatting werd door de deelraad destijds besloten
deze woningen niet te slopen.
Het stadsdeel is voor wat betreft de panden aan de 2e Jan van der Heijdenstraat 85-95
vervolgens jarenlang bezig geweest een verbeterplan, funderingsherstel, cascoherstel en
woningverbetering voor de gehele locatie te ontwikkelen. Dit in gezamenlijkheid met de
overige eigenaren in het complex. Helaas strandden de pogingen om alle panden
gezamenlijk op te knappen.
Opmerking Bremer 1: Het stadsdeel wilde destijds niet meewerken aan het gezamenlijke funderingsherstel. Drie van de 4 particuliere eigenaren hadden ultimo 2000 verbeterplannen ingediend.
Het stadsdeel had bij de eerste besprekingen met de particuliere eigenaren in 1998 reeds aangegeven dat het stadsdeel de panden wilde verkopen aan de andere eigenaren.  Twee eigenaren hebben in een overleg met het stadsdeel  mondeling aangegeven dat zij wel geïnteresseerd waren om de panden over te nemen.
Bremer gaf in maart 1999 aan dat hij geïnteresseerd was om de panden van het stadsdeel te kopen met de verplichting om deze te renoveren volgens de eisen van het stadsdeel.
Nadat Bremer een concept vernieuwbouwplan had ingediend heeft hij zij interesse schriftelijk bevestigd. In mei 1999 heeft het stadsdeel laten weten dat het stadsdeel de panden wilde verkopen dat zij nog in afwachting waren van de resultaten van een bouwkundig adviesbureau voordat het stadsdeel gegevens kon verstrekken over prijzen en verkoopcondities.
Bij het stadsdeel was derhalve bekend dat ik en een andere particuliere eigenaar van een pand in de locatie 2eJvdH85 t/m 95 geïnteresseerd was of 1 of beiden panden 2eJvdH87+95 van het stadsdeel te kopen en te renoveren onder de condities van het stadsdeel.

Corporaties wilden de panden niet overnemen van het stadsdeel. De aanschafprijs in relatie tot wat geïnvesteerd moest worden om de woningen weer op een goed kwaliteitsniveau te brengen was de reden dat er geen corporatie was die de panden wilde overnemen. Ook studentenhuisvester Intermezzo wilde de twee panden niet overnemen. Vervolgens is geprobeerd om de woningen aan de toenmalige
bewoners over te doen. Ook dat lukte niet. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens
besloten een tender uit te schrijven onder drie partijen. Inzet was dat er snel een
hoogwaardig renovatieplan ontwikkeld zou worden.

Opmerking Bremer 2:
Er was niet besloten om een tender uit te schrijven aan drie partijen.
Dit is destijds niet in de stadsdeelraad besloten.
Een ambtenaar heeft tegen 3 partijen gezegd dat hij er voor kon zorgen dat ze de panden konden kopen.
De enige aannemer viel af, omdat deze waarschijnlijk niet alle informatie kreeg die de 2 huizenhandelaren wel kregen. De aannemer werd niet geinformeerd over het feit dat het stadsdeel de panden leeg zou verkopen en de huurders uit hun woningen zou zetten voordat de renovatie begon.
Ik heb in 2012 vragen gesteld op grond van de Wet Openbaarheid van bestuur over de merkwaardige vastgoedtransacties van het stadsdeel.
De ambtenaren die communiceerden met de huizenhandelaren gaven alle informatie die ze maar wilden hebben. De ambtenaren informeerden hen over de minimale verkoopprijs van het OGA en het feit dat er maar 2 kandidaat-kopers in de gelegenheid gesteld werden om te bieden.
De inzet om zo snel mogelijk een hoogwaardig renovatieplan te ontwikkelen is niet echt geslaagd. Pas vijf jaar nadat de bieders op de panden volgens het inschrijfformulier een bouwvergunning hadden moeten aanvragen werd er een bouwvergunning verstrekt.
Drie jaar daarvoor had het stadsdeel een dwangsom kunnen inzetten, omdat de panden volgens een aanschrijving op 2 december 2006 geen gebreken meer mochten hebben.
Het stadsdeel heeft niet gecontroleerd of de koper en zijn opvolgers voldeden aan de inschrijfvoorwaarden en het naleven van de aanschrijving.
Vanaf 2004 heeft het stadsdeel heel actief geprobeerd om de bewoners kwijt te raken. Het stadsdeel verstrekte verhuiskosten vergoedingen van 4500Euro aan de huurders om deze kwijt te raken, zodat de koper luxe appartementen kon bouwen.
Sommige huurders van het stadsdeel kregen van het stadsdeel zelfs een extra vergoeding als ze zouden vertrekken.

De panden werden op 17 oktober 2005 leeg verkocht aan Weijnen Vastgoed BV e.a.
Binnen zes maanden werden de panden doorverkocht met een winst van 1.500.000 Euro.
De ambtenaren die destijds overleg hadden met de huizenhandelaren en de bewoners van de panden van het stadsdeel 2eJvdH87+95 zijn niet meer werkzaam bij de afdeling.
De heer Kuiper is ontslagen en dhr Ron de Waal is uit zijn functie gezet in verband met een omkopingszaak. Op 18 maart 2013 is er een zitting bij de rechtbank over de omkopingszaak.

Het was voor de bewoners in die periode al een langdurige en vervelende situatie, gezien de staat van onderhoud van de woningen. Drie onafhankelijke marktpartijen hadden zich al bij het Stadsdeel gemeld als
geïnteresseerden voor de uitvoering van een vernieuwbouwplan voor betreffende panden.
Opmerking Bremer 3:
Er waren meer geïnteresseerden die niet zijn geinformeerd over de tender.
Doordat beide huizenhandelaren met de bewoners hadden gesproken in een korte periode, is het zeker niet uit te sluiten dat ze elkaar kenden. De eigenaar van pand nr 91 mocht namelijk ook bieden en de andere bieders hebben niet alleen met de meeste bewoners, maar ook met de andere eigenaren gesproken.

Het Stadsdeel besloot in 2003 tot het uitschrijven van een tender, waarbij alleen aan de
drie geïnteresseerde partijen de mogelijkheid werd geboden om een bod uit te brengen op
de (te vestigen) erfpachtrechten. Hiermee werd voorkomen dat er aan niet-gewenste
handelaren in onroerend goed zou kunnen worden verkocht (bijvoorbeeld via openbare
veiling).
Opmerking Bremer 4:
Slechts 3 geïnteresseerden waren door de ambtenaren op de hoogte gebracht dat ze op de panden mochten bieden.
Nadat er 1 was afgewimpeld mochten 2 huizenhandelaren een bod uitbrengen.
De huizenhandelaren zijn niet getoetst op criteria van de niet-gewenste handelaren.
Zij hadden geen of nauwelijks ervaring met vernieuwbouwprojecten.
De koper heeft nooit voldaan aan de eisen waaraan voldaan moest worden en heeft niets met de panden gedaan. Toen het stadsdeel de huurders er uit had, heeft Weijnen Vastgoed BV (e.a.) de panden leeg gekocht en binnen 6 maanden door verkocht met een winst van 1.500.000 Euro.

In 2008 heeft het dagelijks bestuur u al eerder antwoord gegeven op de vraag
waarom slechts drie marktpartijen waren geselecteerd voor om in het kader van de tender
een bod uit te brengen (kenmerk 2007/16243). Dit antwoord werd gegeven naar
aanleiding van een toen ook door u ingediend raadsadres.
Opmerking Bremer 5:
Het antwoord dat het DB heeft gegeven is mij onbekend.
Een document met kenmerk 2007/16243 waarin het DB een dergelijk antwoord geeft ken ik niet.  Ik verzoek u mij het desbetreffende document te verstrekken.

Het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA) werd, zoals het beleid was en nog
steeds is, om advies gevraagd over de minimale marktconforme verkooprijs i.c. uitgifte in
erfpacht condities. Gezien de staat van de panden werd de opstalwaarde op basis van de
residuele grondprijsbepaling op € 0 getaxeerd.
Opmerking Bremer 6:
Aan het OGA werd gevraagd om een minimale prijs te geven voor het geval dat het sociale huurwoningen zouden blijven, maar met de huizenhandelaren werden daarna zeer lucratieve condities afgesproken.
Het OGA is niet geinformeerd over het feit dat het stadsdeel de huurovereenkomsten zou ontbinden en de huurders naast een verhuiskostenvergoeding een oprotpremie zou geven.
Volgens een brief van 4 december 2003 heeft niet OGA de verkoopprijs bepaald, maar heeft OGA de prijs van het stadsdeel overgenomen. Dit was toevallig de prijs die 1 van de huizenhandelaren al had geboden.

Gedurende deze tenderfase haakte een partij af in verband met de vraagprijs en de
noodzakelijke investering in de panden.
Opmerking Bremer 7:
De aannemer was reeds 3 maanden voor de tender afgehaakt, omdat deze niet was geinformeerd over het punt dat het stadsdeel de panden pas zou leveren als de huurovereenkomsten met de zittende huurders waren ontbonden.

Uiteindelijk bleven er twee partijen over, die boven de minimumprijs van het stadsdeel boden.
Op 13 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur de hoogste bieder als toekomstige erfpachter aangewezen.
Opmerking Bremer 8:
De hoogste bieder voldeed reeds door het te laat versturen van het inschrijfformulier niet aan de inschrijfvoorwaarden.
Op 7 januari 2004 werden 2 huizenhandelaren in de gelegenheid gesteld om te bieden op de panden 2eJvdH87+95 voor 16jan2004 (zie 40107P).
De hoogste bieder verstuurde pas (per fax) op 18jan2004 een op 15jan2004 gedateerde brief met het ingevulde inschrijfformulier (zie 40118P).
De andere huizenhandelaar had zijn inschrijfformulier wel op tijd ingeleverd.
Voor 16 januari 2004 was er dus slechts 1 geldige bieding binnengekomen en die was niet van degene die de panden uiteindelijk heeft gekregen.
Pas op 22 juli 2004 is het DB akkoord gegaan met de uitgifte in erfpacht.
Destijds voldeed de uiteindelijke koper echter nog steeds niet aan de eisen die in de tendervoorwaarden stonden.
De uiteindelijke koper had op 23 juni 2004 voor de derde keer uitstel gekregen om een bouwvergunning aan te vragen. Volgens een document van 23jun2004 had de toekomstige koper voor 1 augustus 2004 een bouwvergunning moeten indienen.
Op 2 juli 2004 heb ik veel hoger bod gedaan, waarbij ik het stadsdeel onder condities heb gevrijwaard van een claim als gevolg van de gevolgen van het feit dat het stadsdeel in strijd met de APV een zelfstandige illegaal bewoonde woning had afgevoerd uit het gemeentelijke woningbestand.

Op 29 augustus 2007 heeft de Raad van State geoordeeld dat de in oktober 1999 illegaal bewoonde woning 2eJvdH89-1 als woning geregisterd had moeten blijven als 2eJvdH89-1. Op 13 oktober 1999 schreef de woninggerechtigde van de woning 2eJvdH89-1 zich uit en toen had de toenmalige Dienst Wonen kunnen ontdekken dat de woning 2eJvdH89-1 illegaal werd bewoond. Op 15 oktober 1999 heeft ambtenaar Ed Molekamp de woning die werd onderverhuurd uit het woningbestand verwijderd om de onderhuurder te helpen.
Nadat het geheel onrechtmatig bewoonde pand op 8 maart 2005 door brand verloren ging heeft de Raad van State op 29 augustus 2007 geoordeeld dat de woning op de eerste verdieping een zelfstandige woning was en een adres had moeten hebben.
Doordat de illegaal bewoonde woning vanaf 15 oktober 1999 officieel niet meer bestond kon de onderhuurder die er niet stond ingeschreven, maar er wel woonde niet de woning worden uitgezet, omdat de woning 2eJvdH89-1 officieel niet meer bestond.
Om uit de impasse te komen heeft Bremer op 2 juli 2004 aangeboden om de panden van het stadsdeel over te nemen en het stadsdeel te vrijwaren van de schade als gevolg van het onrechtmatig afvoeren van de illegaal bewoonde distributiewoning.
Achteraf bleek dat het bod zelf hoger lag dan het bod van de huizenhandelaar die nooit aan de inschrijvingsvoorwaarden heeft voldaan.
Hoewel er op 22 juli 2004 nog geen bouwvergunning was aangevraagd door Weijnen Vastgoed BV (e.a) ging het DB toch akkoord met de uitgifte in erfpacht aan Weijnen Vastgoed BV (e.a.).
Vanaf medio 2004 heeft het stadsdeel er alles aan gedaan om haar huurders van de panden 2eJvdH87+95 weg te krijgen. Toen alle bewoners van de stadsdeelpanden hun woning hadden verlaten heeft Weijnen Vastgoed BV (e.a.) de panden op 17 oktober 2005 gekocht. Vervolgens heeft Weijnen Vastgoed BV (e.a) niets aan de panden 2eJvdH87+95 gedaan en binnen 6 maanden doorverkocht met een winst van 1.500.000 Euro.

Hiermee was de verkoopprocedure (uitgifte in erfpacht) voor het stadsdeel afgerond. Latere biedingen,
zoals die werden gedaan in juli 2004 en april 2005 waren dan ook zinloos en konden niet
meer worden meegenomen, omdat de panden al verkocht waren.
Opmerking Bremer 9:
De verkoopprocedure was toen nog lang niet afgerond want de panden werden pas op 17 oktober 2005 aan Weijnen Vastgoed BV (e.a) overgedragen.
Tot die tijd heeft het stadsdeel de huurovereenkomsten met de huurders van haar panden ontbonden. Toen alle huurders hun woning waren gezet heeft Weijnen Vastgoed BV (e.a) de panden afgenomen en met een leuke winst doorverkocht.
Pas in 2008 is er een bouwvergunning voor de panden verstrekt, terwijl deze al vier weken na de bestuurlijke gunning aangevraagd had moeten worden.

Op grond van het aan mij beschikbaar gestelde dossier op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur blijkt dat het stadsdeel niet aantoonbaar heeft gehandhaafd op het nakomen van de inschrijvingsvoorwaarden.
Het stadsdeel had de verkoop voor de extreem lage prijs kunnen tegenhouden, omdat de kandidaat-koper nooit voldaan heeft aan de inschrijvingsvoorwaarden en de inschrijving te laat binnenkwam.

Mijn bieding van 2 juli 2004 was zeker niet zinloos.
Destijds voldeed nog geen enkele bieder aan de inschrijfvoorwaarden.
Bovendien was bij het stadsdeel reeds sinds april 1999 bekend dat ik al dan niet samen met een compagnon/aannemer geïnteresseerd was om de panden van het stadsdeel over te nemen en te renoveren volgens de eisen van het stadsdeel.
Het stadsdeel heeft in mei 1999 mijn interesse bevestigd en gemeld dat er toen nog geen specificaties van de verkoopvoorwaarden te geven waren.
Het bod wat ik op 2 juli 2004 deed was aanzienlijk hoger en gaf het stadsdeel een vrijwaring van mijn claim voor het in 1999 onrechtmatig verwijderen van de destijds zonder woonvergunning illegaal bewoonde woning 2eJvdHeijdenstraat 89-1.

In december 2004 heeft het stadsdeel de panden 2e Jan van der Heijdenstraat 87 en 95
aangeschreven. De aanschrijving was onderdeel van de erfpachtovereenkomst.
Opmerking Bremer 10:
Volgens de aanschrijving moesten de vloeren van de stadsdeelpanden 2eJvdH87+95 horizontaal gelegd worden, zodat de bewoners er wel uit moesten.
Aangezien daarna alles in de woning werd vervangen ontstond er een nieuwe woning. Het stadsdeel en de bevoorrechte kandidaat-koper konden dit argument gebruiken om er voor te zorgen dat de bewoners definitief uitgeplaatst moesten worden. De panden van de particuliere eigenaren 2eJvdH89+91+93  werden niet aangeschreven om de vloeren horizontaal te leggen, zodat de bewoners van deze panden tijdens en na de zeer ingrijpende renovatie hun woning konden blijven bewonen en huren.
Na de brand in 2005 van het pand 2eJvdH89 heeft de renovatie van alle panden 2 jaar stil gelegen. Uiteindelijk zijn alle huurders uitgekocht en zijn alle verdiepingsvloeren vervangen.

In de erfpachtovereenkomst was tevens een risicodelingsregeling, het delen van mogelijke
winst bij verkoop, opgenomen. Het erfpachtrecht, inclusief de renovatieplicht, is de jaren daarna verschillende malen doorverkocht. Dit is gebeurd met toestemming van het dagelijks bestuur.
Opmerking Bremer 11:
Uit het WOB-dossier blijkt dat het DB zich zeer slecht heeft laten informeren en enkele met projectontwikkeling onervaren ambtenaren de vrije had heeft gegeven.
Ook signalen van uit de raad zijn door het DB niet opgepakt.
Reeds in augustus 2004 heeft de fractie VOZ kritische schriftelijke vragen gesteld over de verkoop van de panden. In het antwoord van het DB van 21 september 2004 staan aantoonbaar onjuistheden.
Zelfs in maart 2006 had het stadsdeel de verkoop van de panden door de eerste  koper (Weijnen Vastgoed BV e.a.) nog kunnen voorkomen of er voorwaarden aan kunnen stellen.
Op 1 maart 2006 heeft de fractie Amsterdam Leeft! een interpellatie aangevraagd.
Hoewel de interpellatie op tijd binnenkwam, heeft toenmalig voorzitter van de raad Egbert de Vries de interpellatie niet toegestaan. (zie 60301)
Na de verkiezingen van 5 maart 2006 werd Egbert de Vries wethouder Wonen.
Op 30 maart 2006 gaf het stadsdeel toestemming om het bouwvolume van de panden 2eJvdH87+95 te vergroten met 20% zonder de erfpacht te verhogen en mochten de panden worden verkocht.
De desbetreffende toestemming is overigens niet gegeven door het DB, maar door een tijdelijk hoofd van de afdeling grondzaken.
Achteraf kan worden vastgesteld dat het DB de verkoop van de panden 2eJvdH87+95 vrijwel geheel heeft overgelaten aan onervaren en/of tijdelijke ambtenaren en dat het DB ernstig tekort is geschoten in haar controlerende taak.

Het onderzoek naar de mogelijkheid om de risicodelingsregeling toe te
passen op de leveringen van de woningen van de 2e Jan van Heijdenstraat 87 en 95 aan
de verschillende eindgebruikers/eerste bewoners is gestart.
In de periode van economische voorspoed, die tot ongeveer 2008 duurde, gingen de
almaar stijgende vastgoedprijzen regelmatig stelselmatig over de kop. Zo was er op 3 juli
2004, een half jaar na de sluiting van de tender, een bod bij het stadsdeel
binnengekomen, dat bijna € 50.000 hoger lag dan het hoogste bod van januari 2004.
Opmerking Bremer 12:
De extreem lage verkoopopbrengst van 2eJvdH87+95, kwam doordat het OGA niet wist dat het stadsdeel de panden pas zou leveren nadat de huurders door het stadsdeel waren uitgeplaatst. Dat de uiteindelijke koper van 17 oktober 2005 tot 10 april 2006 een winst maakte van 400%, kwam doordat de panden vrij van huurders konden worden doorverkocht.
Mijn bod van 3 juli 2004 was niet alleen 50.000 Euro hoger, maar hield ook in dat ik het stadsdeel zou vrijwaren voor de schade als gevolg van het onrechtmatig afvoeren van de in oktober 1999 onrechtmatig bewoonde distributiewoning 2eJvdH89-1.
Bovendien was ik er vanuit gegaan dat de huurders van het stadsdeel niet verplicht werden uitgeplaatst. De enige overgebleven bewoner van mijn pand 2eJvdH89 hoefde volgens de inspecteur niet mee te werken aan een uitplaatsing. Inspecteur de Waal wilde zelfs niet meewerken aan de ontruiming van de extreem brandgevaarlijke gekraakte bovenwoningen. Bij inspecteur Ron de Waal was bekend dat de gas- en elektra-installatie door het Nuon was verwijderd en op grond van de gemeentelijke richtlijnen hadden de bovenwoning dan ontruimd moeten worden (zie antwoord schriftelijke vragen PvdA 60321).
De bieding op de tender van Weijnen Vastgoed BV (e.a) was onrechtmatig (te laat binnen gekomen) en pas op 22 juli 2004 ging het stadsdeel akkoord met de toewijzing van de kandidaat-koper.  Aangezien Weijnen vastgoed BV (e.a.) nooit een bouwaanvraag heeft ingediend had het stadsdeel de panden helemaal niet hoeven te leveren op 17 oktober 2005, maar had het de panden ook op een meer transparante openbare wijze kunnen verkopen.
Als de geheel lege panden op 17 oktober 2005 openbaar waren verkocht op de huizenveiling hadden deze waarschijnlijk meer geld opgebracht dan de 1.500.000 Euro die de aannemer had geboden die door de huizenhandelaar was gevraagd.
Het stadsdeel had hierdoor zelf een beloning gekregen voor haar inspanningen om de huurders uit te plaatsen voor de huizenhandelaar.
Met de extra inkomsten van 1.500.000 Euro had het stadsdeel de belasting voor de  burgers kunnen verlagen.

En deze zelfde particuliere investeerder bood op 7 april 2005 zelfs nog een keer € 100.000
meer. Op deze snelle prijsstijging had en heeft het stadsdeel geen invloed.
Opmerking Bremer 13:
Mijn bod was relatief nog veel hoger, omdat daarin ook een vrijwaring van de schade door de brand in was verwerkt.

Evenmin als op de prijsdalingen in het huidige tijdsgewricht. En evenmin had en heeft het stadsdeel op
wisselingen in de samenstelling van onroerend goed organisaties invloed.
In januari 2008 zijn de bouwvergunningen verstrekt voor de pand aan de 2e Jan van de
Heijdenstraat 87 en 95 conform de bepalingen in de erfpachtovereenkomst.
Opmerking Bremer 14:
Conform de inschrijvingsvoorwaarden had Weijnen Vastgoed BV (e.a) reeds op 13 februari 2004 een bouwaanvraag moeten indienen.

Het pand nummer 87 is vervolgens gesplitst. Voor het pand nummer 95 geldt dat ook hiervoor in
januari 2008 een bouwvergunning is verstrekt. Echter het gestarte risicodelingsonderzoek
geeft al aan dat dit pand nog niet gesplitst is. Dit betekent dat een mogelijke
risicodelingsgregeling voor dit pand nog niet opportuun is.
Zoals eerder gezegd, was de woning in de Quellijnstraat 138 II ook in bezit gekomen van
het stadsdeel in het kader van de stadsvernieuwing. Bestuurlijk werd ook hier het besluit
om het pand te slopen ingetrokken. Daarna werd besloten de woning te verkopen. Eerst
aan de toenmalige bewoner van de 2e verdieping en daarna aan de bewoonster van de
begane grond. Omdat deze het aanbod hadden afgewezen heeft het dagelijks bestuur
toen op 1 april 2005 besloten de woningen door middel van een tender te verkopen. Het
enige selectiecriterium was de hoogte van de bieding. Drie geïnteresseerden werden
aangeschreven op de woning te bieden.
Ook hier was de overweging te voorkomen, dat er aan niet-gewenste handelaren in onroerend goed zou worden verkocht, zoals u ook in de bovengenoemde brief geschreven is. Ook gedurende deze inschrijving maakte een particuliere investeerder duidelijk geen belangstelling te hebben voor de woning, vanwege
de vraagprijs in relatie tot benodigde investering.
Opmerking Bremer 15:
De aangeschreven geïnteresseerden kenden elkaar en twee van hen hadden zelfs gezamenlijk een BV.  Door de woning op een zodanige wijze aan te bieden was een extreem lage opbrengst wederom gegarandeerd.
Hoewel de woning Quellijnstraat 138-2 al leeg was heeft het stadsdeel de woning door het OGA laten taxeren als verhuurd.  De minimale verkoopprijs was door het OGA getaxeerd op 60.000 Euro en “toevallig” bood 1 van de 3 leden van het uitverkoren clubje huizenhandelaren ook precies 60.000 Euro.
Een tijdig ingediend bod van de bewoonster van de begane grond mevrouw Visser werd overigens ten onrechte niet meegenomen.

Op 6 juni 2005 heeft het dagelijks
bestuur besloten het appartement aan de hoogste bieder te verkopen. Maar ook al had
het stadsdeel een marktconforme prijs bereikt; hierna gingen de prijzen van
appartementen vervolgens voor nog weer veel hogere prijzen van de hand.
Het stadsdeel wilde ook het Rijksmonument Amstelveenseweg 115 in 2002 verkopen, na
het leegkomen van de begane grond en na toetsing aan de Beleidsnota Vastgoedbeheer.
In deze Nota had de stadsdeelraad de criteria geformuleerd voor het afstoten van
vastgoed in bezit van het stadsdeel. De eerste verdieping werd al als woning verhuurd.
Het dagelijks bestuur stelde een tender vast, waarbij de hoogste opbrengst de enige
selectiefactor was en zeven partijen werden geselecteerd. Op basis waarvan de selectie
van deze zeven partijen heeft plaatsgevonden, is niet meer te achterhalen. OGA
adviseerde over de marktconforme verkoopprijs en uiteindelijk heeft het dagelijks bestuur
op 4 juli 2005 besloten de hoogste bieder het object in erfpacht aan te bieden. Het
winnende bod kwam van een van de zeven geselecteerde partijen, die bood in opdracht
van een andere partij. De gehele procedure is vastgelegd bij een notaris en door deze ook
bijgestaan.
Het stadsdeel vond en vindt dat het exploiteren van woningen geen taak is voor de lokale
overheid. Bij uitzondering historische situaties daargelaten, worden woningen in principe
niet geëxploiteerd. Bovenstaande betekent dat verkoopprocedures voor panden, in het
bezit van het stadsdeel, door het dagelijks bestuur werden vastgesteld. Per geval werd
bezien wat de beste selectie- en verkoopprocedure was. In zijn algemeenheid is een
verkoop- en selectieproces natuurlijk altijd een zoektocht waarbinnen verschillende
inhoudelijke, strategische en procedurele keuzes worden gemaakt. Door middel van
criteria tracht het stadsdeel daarbij bepaalde beleidsdoelstellingen te realiseren. Bij de
selectie van partijen werd voor de panden in de 2e Jan van der Heijdenstraat 87 en 95
vooral gelet op prijs, kwaliteit en snelheid (dringend onderhoud nodig).
Opmerking Bremer 16:
Als dit de criteria waren is duidelijke dat het stadsdeel niet over mensen beschikte om deze criteria te realiseren.
Doordat de OGA niet werd verteld dat het stadsdeel de bewoners uit de panden zou zetten voordat de panden zouden worden verkocht was de afgegeven minimale  verkoopprijs veel te laag.
Doordat de bieders elkaar waarschijnlijk kenden was het hoogste bod van de twee veel te laag.
Doordat er niet werd gehandhaafd op het naleven van de voorwaarden om de panden te leveren, heeft de koper nooit bouwactiviteiten verricht of een bouwvergunning aangevraagd.
Uiteindelijk is er 4 jaar te laat een bouwvergunning aangevraagd en hebben de panden jarenlang gedeeltelijk leeggestaan.
Het stadsdeel heeft minimaal gepresteerd op maximale verkoopprijs (1.500.000 Euro te laag) en snelheid (4 jaar te laat) van de renovatie.
De kwaliteit is volgens de huidige bewoners van de luxe appartementen niet echt hoog. Het verloop van de woning is hoog en er staat er altijd wel 1 of meer te koop.

Dit speelde in iets mindere mate bij de Quellijnstraat 138 II. Bij de Amstelveenseweg was het belangrijkste
criterium de hoogste opbrengst.
Voor de uitgiften in erfpacht werden de adviezen en taxaties van OGA over de te hanteren
marktconforme verkoopprijzen ingewonnen en gehanteerd. Er werd per geval dus
maatwerk geleverd ten aanzien van de verkoopprocedure. Verkoop van de panden en
woningen was immers het uitgangspunt, aangezien woningen exploiteren geen taak is
van het stadsdeel.
Wij gaan er, gelet op het vorenstaande, vanuit dat het dagelijks bestuur zowel in het
verleden als nu de raad van Stadsdeel Zuid volledig en correct heeft geïnformeerd. In
onderstaande zullen wij ingaan op de concreet door u gestelde vragen.
Beantwoording vraag 1.
Ten aanzien van uw eerste vraag over te verkopen onroerend goed. De rol van de lokale
overheid in de stadsvernieuwing is ingrijpend veranderd. Aankoopbeleid in het kader van
de stadsvernieuwing wordt niet meer gevoerd. Tijdelijk beheer van woningen in het kader
van stadsvernieuwing evenmin. Daarnaast bezit het stadsdeel als lokale overheid
voornamelijk maatschappelijk vastgoed en nog een enkele woning. Indien het stadsdeel
voornemens is vastgoed te verkopen, dan laat het stadsdeel de waarde van een te
verkopen object altijd taxeren. Ofwel door een externe makelaar, ofwel door een makelaar
van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA). Het stadsdeel hanteert hierbij
de kaders van de Nota ‘Selectie van marktpartijen bij gronduitgifte 2012, Van maximaal
naar optimaal’ van het College van B&W van juli 2012. Tevens wordt bij verkoop van
vastgoed de Beleidsnota Vastgoed Zuid 2011-2015 uitgevoerd. Tevens is het de praktijk
om panden zo openbaar en transparant mogelijk te verkopen, tenzij er dringende redenen
zijn om hier van af te wijken. Maar welke verkoopprocedure gevolgd wordt, wordt per
object door het dagelijks bestuur vastgesteld.
Het is duidelijk dat de onroerend goedprijzen vanwege de financiële crisis nu lager liggen
dan in de eerste jaren van 2000, en dat als het stadsdeel nu een object zou verkopen,
deze vervolgens in waarde zou kunnen dalen. Dit is nu eenmaal de tendens in de huidige
markt in tegenstelling tot de vastgoedmarkt tot ongeveer 2008.
Opmerking Bremer 17:
Het stadsdeel zou panden zo transparant mogelijk moeten verkopen.
Enkele huizenhandelaren die de ambtenaren ook wat gunnen uitnodigen om te bieden op panden is zoals uit het verleden blijkt voor de belastingbetalers niet de beste manier.
De huizenveiling of openbare verkoop via een goede makelaar is veel transparanter en zal een veel beter koper en prijs opleveren dan een ambtenaar een huizenhandelaar te laten selecteren.

Beantwoording vraag 2.
Wij zijn van mening dat het dagelijks bestuur de stadsdeelraad in zowel het verleden als
tot op heden correct heeft geïnformeerd. Zowel in het algemeen, alswel in het kader van
dit dossier.
Opmerking Bremer 18: Zo.

Beantwoording vraag 3.
Ten aanzien van de afhandeling van uw raadsadres van 31 mei 2010 heeft de
stadsdeelraad besloten de afhandeling daarvan door het dagelijks bestuur te laten
plaatsvinden. Op 1 augustus 2011 heeft de commissiegriffier van Stadsdeel Zuid u dan
ook een brief gestuurd, waarin is gemeld dat uw raadsadres van 31 mei 2010, door
middel van de brief van het dagelijks bestuur, die aan u verzonden is op 4 februari 2011,
uitgebreid beantwoord is.
Opmerking Bremer 19:
De brief van 4 februari 2011 had geen enkel verband met het raadsadres van 31 mei 2010 en uit de brief blijkt ook niet dat de brief opgevat moest worden als een afhandeling van het raadsadres.
Het raadsadres van 31 mei 2010 is derhalve nog niet afgehandeld.

Beantwoording vraag 4.
Ten aanzien van uw 4e vraag van uw raadsadres van 17 september 2012 het volgende:
Gelet op de aan u bekend gemaakte WOB beschikking d.d. 19-06-2012 en de daarover
aanhangige bezwaarprocedure, waarbij de Adviescommissie Bezwaarschriften een
advies over de door u aangevoerde bezwaren zal geven die o.a. zien op openbaarmaking
van bedoelde interne notitie van 06-01-2003, zal het raadsadres op dit punt niet
beantwoord worden.
Tot slot wordt opgemerkt dat het stadsdeel al uw vragen met betrekking tot dit dossier
uitvoerig heeft onderzocht. Wij kunnen dan ook niet anders dan u telkenmale dezelfde
antwoorden geven. Voor het stadsdeel is dit dossier dan ook gesloten. Mocht u over dit
onderwerp toch weer opnieuw dezelfde vragen indienen, dan gaan wij daar niet meer op
in.
Opmerking Bremer 20:
In het kader van transparant bestuur zou de notitie van 6 jan 2003 wel openbaar gemaakt moeten worden.
In deze notitie staat waarschijnlijk dat een bepaalde ambtenaar voorstelt om alle afspraken met de eigenaren niet worden nagekomen en er alles aan zal worden gedaan om te bewerkstelligen dat zij hun panden op hoog niveau moeten renoveren en de bewoners in de panden moeten kunnen blijven wonen.
Tegelijkertijd zal het stadsdeel haar panden willen laten verbouwen tot luxe appartementen.
Waarschijnlijk staat er in de notitie dat de panden van de particuliere eigenaren 2eJvdH89+91+93 zodanig worden aangeschreven dat de bewoners niet hoeven worden uitgeplaatst. De panden van het stadsdeel zouden door het stadsdeel zodanig worden aangeschreven dat de bewoners er definitief uit zouden moeten en niet konden terugkeren.
Door deze aanpak werden de panden van het stadsdeel aanzienlijk meer waard en werden de panden van de particuliere eigenaren in feite waardeloos.
De particuliere eigenaren moesten per pand circa 400.000 Euro investeren, terwijl het onmogelijk was om de huur te verhogen.
Ik ben van mening dat het document van 6 jan 2003 in de stadsdeelraad besproken zou moeten worden om een juiste conclusie te kunnen trekken uit de verkoop van de panden van het stadsdeel aan een clubje huizenhandelaren die door enkele ambtenaren extreem zijn bevoordeeld ten nadele van de burgers van het stadsdeel.

Met vriendelijke groet,
Raadsvoorzitter                     Raadsgriffier
Femke Roos                         Josine Spier
Niet ondertekend (gescande versie)

120917 Raadsadres verkoop panden door stadsdeel

Op 17 september is onderstaand raadsadres naar de raadsleden van stadsdeel Amsterdam zuid gestuurd. Voor een goed afdrukbare pdf-file kunt u hier klikken.

Betreft: RAADSADRES Verkoop panden door stadsdeel
Op 31 mei 2010 stuurde ik u een raadsadres (zie RA100531).
Het raadsadres is nog steeds niet beantwoord.
Ik verzoek u mij te laten informeren over de voortgang van de beantwoording en de behandeling van het raadsadres in de stadsdeelraad.

Sinds 2004 zijn de raadsleden minimaal 4 keer door het Dagelijks Bestuur onjuist geinformeerd over het voormalige stadsvernieuwingsproject 2eJvdHeijdenstraat 85-95 en de  verkoop van een viertal panden door het stadsdeel.

In het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) heb ik aan het Dagelijks Bestuur vragen gesteld over de verkoop van de 4 panden aan huizenhandelaren (zie 120306 en 120423).
Het door het stadsdeel beschikbaar gestelde dossier bevat veel interessante informatie.
Ik heb bezwaar gemaakt tegen het niet willen verstrekken van de meest bijzondere documenten (zie 120731) en aanvullende WOB-vragen gesteld (zie 120907 en 120910).
Het bezwaarschrift wordt op vrijdag 21 september om 11 uur behandeld door de adviescommissie Bezwaarschriften op locatie Burgerweeshuispad 301 zaal 0.16.
Op vrijdag 14 september vernam ik dat alleen het bezwaarschrift en het verweerschrift (zie 120911) ter inzage waren gelegd. Na overleg met mij heeft de afdeling Bezwaarschriften toegezegd dat het volledige dossier aan de bezwaarschriftencommissie wordt verstrekt en dat het volledige WOB-dossier vanaf maandag 17 september voor iedereen ter inzage ligt op de stadsdeelkantoren.

Uit het WOB-dossier dat nu ter inzage ligt blijkt o.a. het volgende:
1. Alle 4 panden zijn door het stadsdeel verkocht voor minder dan 30% van de marktwaarde.
2. Sinds 2004 zijn de raadsleden minimaal 4 keer door het DB onjuist geinformeerd.

Eerst zal ik ingaan op de verkoop van de panden en daarna zal ik aangeven op welke punten het Dagelijks Bestuur de stadsdeelraad en de burgers onjuist heeft geinformeerd.

Verkoop Amstelveenseweg 115:
Op 21 mei 2003 verstuurde het stadsdeel aan 7 uitverkoren geïnteresseerden een uitnodiging om het pand Amstelveenseweg 115 op 2 juni 2003 tussen 14.00-16.00uur te bekijken.
Nadat de 7 uitverkorenen elkaar op 2 juni 2003 hadden ontmoet, werden zij uitgenodigd om een bieding te doen. Vanaf 9 mei 2003 was bij het stadsdeel, een notariskantoor en wellicht anderen bekend dat het bodembedrag 190.000 Euro bedroeg.
Uiteindelijk werd het pand Amstelveenseweg 115 gegund voor 215.000 Euro aan dhr E.H.A Weijnen, terwijl deze niet behoorde tot de 7 kandidaat erfpachters die op 2 juni 2003 waren uitgenodigd en op 9 mei 2003 aan de notaris bekend waren gemaakt. (zie WOB-dossier)

Verkoop 2eJvdHeijdenstraat 87 en 95:
In 2003 sprak het stadsdeel met 3 uitverkoren huizenhandelaren over de verkoop van de panden. Door een gebrek aan duidelijke communicatie viel er 1 uitverkoren huizenhandelaar af. De twee resterende uitverkoren huizenhandelaren bezochten alle bewoners van de panden en hadden beiden contact met de eigenaren van de panden 2eJvdH89, 91 en 93.
Op grond van schriftelijke vragen van de partij VOZ (zie 40921) bleek dat er meer dan 2  geïnteresseerden waren en dat er door een onafhankelijke bieder een veel hoger bod was gedaan dat door het stadsdeel niet was meegenomen.
De 2 uitverkoren huizenhandelaren hadden in 2003 veelvuldig contact met ambtenaar W.Kuiper. Op 17 december 2003 werden zij door hem zeer aantrekkelijke verkoopcondities toegezegd en hielp hij hen door OGA (Ontwikelings Bedrijf Amsterdam) een zeer lage bodemadviesprijs af te geven. Uit het WOB-dossier blijkt dat het OGA dit advies had gebaseerd op een brief van dhr W.Kuiper waarin het hoogste bod van 290.000 Euro was vermeld.
Uit het hele dossier blijkt dat voormalig stadsdeelmedewerker W.Kuiper er alles aan heeft gedaan om er voor te zorgen dat de panden tegen een zo laag mogelijke prijs door het stadsdeel konden worden verkocht.
De 2 uitverkoren huizenhandelaren hoefden weinig moeite te doen om er achter te komen dat zij met zijn tweeën uitverkoren waren om de panden te mogen kopen.
Aangezien de 2 huizenhandelaren in december 2003 de panden graag onder de zeer gunstige condities van het stadsdeel wilden kopen, besloot het stadsdeel (dhr W.Kuiper) om hen beiden een bod uit te laten brengen. Uiteindelijk deed dhr E.H.A. Weijen (handelend namens meerdere BV’s) met 375.000 Euro voor de afkoop van de erfpacht het meest. Voor de panden zelf hoefde dhr Weijnen (zijn BV’s) niets te betalen. Iedereen die het WOB-dossier doorneemt zal kunnen verklaren waarom de panden uiteindelijk zo weinig hebben opgebracht.

Inschrijvingsvoorwaarden
Volgens de inschrijvingsvoorwaarden verplichte de aangewezen inschrijver zich om binnen 4 weken na datum bestuurlijke gunning een aanvraag bouwvergunning in te dienen en binnen 4 weken na afgifte van de bouwvergunning met het funderingsherstel aan te vangen.
Uit het dossier blijkt niet dat er door dhr Weijnen (en/of zijn BV’s) tijdig een bouwvergunning voor de panden 2eJvdH87+95 is aangevraagd.
Nadat het stadsdeel de panden leeg kon leveren heeft dhr Weijnen handelend namens Weijnen Vastgoed BV en als schriftelijk gevolmachtigde van Magnum Plus BV, Zonnebloem Vastgoed BV en A. de Jong en ZN BV op 17 oktober 2005 (zie 51017) de panden vrij van huur verworven voor 375.000 Euro (zijnde de 50 jarige afkoop van de erfpacht).
Uit het WOB-dossier blijkt niet dat er na 17 oktober 2005 door dhr Weijnen (of zijn BV’s) een bouwaanvraag is ingediend.
Op donderdag 13 september 2012 had ik een gesprek met dhr Rob van den Brink van het stadsdeel over mijn WOB-vragen van 7 september. Dhr van den Brink had gezocht of er door of namens dhr Weijnen een bouwaanvraag is ingediend voor de panden 2eJvdH87+95 maar kon geen enkele bouwaanvraag namens dhr Weijnen (en/of zijn BV’s) vinden.
Dhr Brink kon ook geen documenten in het dossier van het stadsdeel vinden op grond waarvan de bewoners van 2eJvdH87+95 zijn uitgeplaatst.
Nadat de panden 2eJvdH87+95 leeg waren heeft dhr Weijnen (handelend namens meerdere BV’s) deze panden binnen 6 maanden doorverkocht aan een projectontwikkelaar voor een bedrag van 1.500.000 Euro, zonder ook maar iets aan de panden te hebben gedaan.
Vanaf het moment dat de panden aan dhr Weijnen waren gegund heeft dhr W.Kuiper namens het stadsdeel er alles aangedaan om de panden leeg te krijgen en daarna heeft dhr Weijnen en zijn BV’s de 1.500.000 Euro winst gepakt.

Verkoop Quellijnstraat 138-2:
Nadat dhr Weijnen de panden Amstelveenseweg 115, en 2eJan van der Heijdenstraat 87 + 95 had verworven had het stadsdeel nog een pandje in de aanbieding. Het appartement Quellijnstraat 138-2 dat ooit door het stadsdeel was gekocht om 15 panden in de Pijp te kunnen slopen. Lies Visser die woonde op Quellijnstraat 138-H had de sloop met juridische procedures weten te voorkomen.
De twee heren die op de panden in de 2eJvdH87+95 mochten bieden waren wederom
uitverkoren om op het lege appartement te mogen bieden.
Om de prijs te drukken werd aan het OGA gemeld dat het appartement was verhuurd voor een lage prijs, maar het appartement was reeds leeg.
Omdat 2 bieders bij een zogenaamd openbare inschrijving weinig is, werd ook nog een derde partij in de gelegenheid gesteld om te bieden op het lege appartement.
De minimale prijs was reeds veel eerder bekend en natuurlijk door de ambtenaren van het stadsdeel goed geheim gehouden. De heer Deenink (via Bas Boterbloem BV mede eigenaar van Deenink Weijnen Vastgoed BV) deed als “onafhankelijk partij” het hoogste bod dat toevallig op de cent overeenkwam met de minimale verkoopprijs van het OGA.
Mevrouw Visser was jaren eerder aangeboden om het appartement te mogen kopen voor 20.000 Euro, omdat zij sinds het stadsdeel eigenaar was van Quellijnstraat 138-2 namens de VVE Quellijnstraat 138 alle kosten voor een casco-renovatie, verzekering en watergeld had betaald. Op 11 juni 2005 deed mevrouw Visser uit eigeninitiatief een hoger bod dan dhr Deenink. Desondanks werd het appartement op 8 december 2005 door het stadsdeel aan dhr Deenink verkocht voor 60.000 Euro.
Binnen een jaar werd het pand Quellijnstraat 138 (H, 1, 2 en 3 hoog) verkocht aan een projectontwikkelaar voor 750.000 Euro.

Samengevat verkoopresultaat:
Dhr Weijnen en zijn compagnon Deenink hebben op de panden van het stadsdeel een aantoonbare winst gemaakt van minimaal 1.600.000 Euro door de panden binnen 6 maanden te verkopen zonder iets aan de panden te hebben gedaan.

Onjuiste informatievoorziening Dagelijks Bestuur:
Hoewel ik als raadslid en direct betrokkene door het DB over de onderhavige panden tijdens commissie- en raadsvergaderingen en via raadsdocumenten meerdere keren onjuist ben geinformeerd door de verantwoordelijke portefeuillehouders Jaensch en de Vries zal ik mijn constateringen van onjuiste informatievoorziening summier houden door dit te beperken tot het antwoord op schriftelijke vragen van de raadsleden.
Het is een taak van raadsleden om kritisch te zijn op de informatie die zij krijgen.
Op grond van het mij beschikbaar gestelde WOB-dossier dat tot 21 september voor iedereen ter inzage ligt op de stadsdeelkantoren blijkt dat de raadsleden op grond van de volgende documenten door het Dagelijks Bestuur zijn misleid of onjuist zijn geinformeerd.

A. Onjuiste antwoorden van 21 september 2004 op schriftelijke vragen VOZ (zie 40921).
Naar aanleiding van vraag 1 schreef het DB: “’…. Van biedingen van andere partijen was dan ook geen sprake”.
Onjuiste info 1: Het stadsdeel kreeg voor de gunning van 1 partij een veel hoger bod dan het bedrag waarvoor het stadsdeel de panden 2eJvdH87+95 in erfpacht heeft uitgegeven.
Naar aanleiding van vraag 2 schreef het DB: “De toekomstig erfpachter verplicht zich tot het voor eigen rekening realiseren van een vernieuwbouwplan voor beide percelen inclusief funderingsherstel. Op basis van marktconforme verkoopprijzen heeft het OGA een minimale marktconforme prijs bepaald.”
Onjuiste info 2: Van verplichting om de panden te vernieuwbouwen was geen sprake want de toenmalige toekomstige erfpachter deed niets met de panden en vroeg zelfs geen bouwvergunning aan binnen de termijn die daar voor stond. Het enige dat de koper deed was de panden door verkopen met een zeer aanzienlijke winst.
Onjuiste info 3: Er was geen sprake van een marktconforme prijs, want de panden werden binnen 6 maanden doorverkocht met een winst van 400% zonder dat er iets met de panden was gedaan. Bovendien was er door een bieder die de panden niet kreeg toegewezen een bod gedaan dat meer dan twee keer zo hoog was.
Naar aanleiding van vraag 4 schreef het DB: “Het OGA c.q. de gemeente is een risicoregeling met de erfpachter overeengekomen inhoudende dat de gemeente in een eventueel te behalen winst door de erfpachter bij verkoop van de te realiseren koopappartementsrechten.”
Onjuiste info 4:  Op grond van de verstrekte informatie bedroeg de winst 1.500.000 Euro die als volgt is verdeeld: stadsdeel 0,00 Euro en dhr Weijnen (met diverse BV’s) 1.500.000 Euro.

B.Onjuiste informatie naar aanleiding van antwoorden op raadsadres van 10 september 2008
Op 20 september 2007 stuurde ik een raadsadres dat op 9 september 2008 is besproken in de Raadscommissie Ruimte en wonen. In mijn toespraak aan de raad heb ik aangegeven dat het concept antwoord (zie 80910) diverse onjuistheden bevatte. De volgende dag ondertekenden de stadsdeelsecretaris en wethouder Egbert de Vries het ongewijzigde antwoord op mijn raadsadres.
Onjuiste info 5: Op vraag 3 antwoordde het Dagelijks Bestuur dat bij de verkoop van de panden 2eJvdH87+95 en het pand Quellijnstraat 138-2 niet dezelfde partijen waren.
Dat is onjuist bij de verkoop waren bij beide inschrijving de heren Boeren en Weijnen betrokken. Bij de inschrijving van Quellijnstraat 138-2 mocht ook dhr Deenink mee doen.
Dhr Deenink is een zakenpartner van dhr Weijnen en zij zijn gezamenlijk en afzonderlijk met hun vele BV’s gevestigd op hetzelfde adres. Op het adres is onder andere gevestigd Deenink Weijnen Vastgoed BV.  Gezien de zakelijke belangen waren de heren Weijnen en Deenink zodanig met elkaar verbonden dat er geen sprake was van afzonderlijke partijen.

Bovenstaande opsomming van het verstrekken van onjuiste informatie aan de raadsleden door het Dagelijks Bestuur is slechts een selectie op grond van het WOB-dossier.
Uit het WOB-dossier blijkt dat het stadsdeel de panden 2eJvdH87+95 anders heeft behandeld dan de panden van de particuliere eigenaren van de stadsvernieuwingslokatie 2eJvdH85t/m95.
De bewoners van de stadsdeelpanden 2eJvdH87+95 werden gedwongen uitgeplaatst, omdat de koper het recht had gekregen om de panden te splitsen en te verkopen als appartementen.
Volgens een document van 11 oktober 2005 kreeg Sandstenen Projecten BV toestemming om de panden te splitsen zonder vergunning voordat er een bouwaanvraag was ingediend en voordat er iets aan de panden was gedaan.
Volgens een document van 30 maart 2006 stemde het stadsdeel in met de verkoop van de panden 2eJvdH87+95 voordat er een verbouwing had plaatsgevonden en mocht het bouwvolume aanzienlijk worden vergroot zonder dat de erfpacht werd verhoogd.
Het stadsdeel heeft afspraken met de andere eigenaren geschonden en heeft het hen onmogelijk gemaakt om de panden te kunnen renoveren.
Dit zou kunnen blijken uit de keuze notitie over de verkoop van de panden 2eJvdH87+95 van 6 januari 2003. Het stadsdeel besloot echter om dit document niet beschikbaar te stellen, omdat er persoonlijke beleidsopvattingen in zouden staan die herleid baar zijn tot personen.

Ik verzoek de stadsdeelraad om:
1.aan te geven wat de raad wil doen om te voorkomen dat het Stadsdeel nog meer gemeenschapsgeld verspilt door onroerend goed te verkopen voor een veel te lage prijs.
2.aan te geven wat het standpunt is van de raad over het verstrekken van onjuiste informatie door het Dagelijks Bestuur aan de raad in het kader van dit dossier en in het algemeen.
3.mijn raadsadres van 31 mei 2010 te beantwoorden en in de commissie te behandelen.
4.het DB te moveren om de interne notitie van 6 januari 2003 openbaar te maken.

Hoogachtend,
Drs Ing. Hans Bremer

120517 Dubieuze Opdrachtverlening Ron de Waal na brand 8 maart 2005

Van 2004 tot 2005 heeft ambtenaar Ron de Waal een zeer dubieuze rol gespeeld bij de renovatie van de panden 2e Jan van der Heijdenstraat 87 t/m 95 (zie 120515).
Sinds 2007 is ambtenaar Ron de Waal (zie 70421) hoofdverdachte in de zogenaamde asbestfraude zaak. (zie 120515)
Mede in verband met de asbestfraudezaak en andere zaken is Ron de Waal sinds 2007 niet meer werkzaam bij de afdeling handhaving van Stadsdeel Amsterdam Zuid.

Brand op 8 maart 2005
Op 8 maart 2005 was er een grote brand in het deels gekraakte pand 2eJvdH89 van Bremer.
Zonder toestemming en overleg met Bremer heeft Ron de Waal op 8 maart 2005 om 9 uur een opdracht gegeven aan een toevallig voorbijkomende sloper. (zie 50414).
Toen Tijsterman op 8 maart 2005 reeds aan het werk was, heeft Ron de Waal aan Bremer gevraagd of Tijsterman ook voor hem dingen kon doen. Bremer gaf geen opdracht aan Tijsterman, omdat de onderzoeken van de verzekeringsmaatschappij en de politie nog niet waren afgerond.
Ron de Waal gaf op 8 maart 2005 alleen aan dat de onderste twee verdiepingen van 2eJvdH89 met platen ontoegankelijk moesten worden gemaakt. Bremer heeft op 8 maart 2005 met zijn bouwteam het pand ontoegankelijk gemaakt (zie 50308).
Bouwkundig ingenieur Bremer en de door hem ingehuurde brandschade-experts van Krantz & Polak Resolve (zie 71107) hebben op 8 en 9 maart 2005 de constructie onderzocht. Uit het onderzoek van de Salvage Dienst en het onderzoek van Ing. Bremer en de brandschade-experts van Krantz en Polak Resolve bleek dat er geen spoedeisende noodvoorzieningen nodig waren.
Sloper Tijsterman werkte de eerste twee weken aan de asbestverwijdering en het weer waterdicht maken van de naast gelegen panden van het stadsdeel (JH87) en projectontwikkelaar Boeren (JH91).
Ruim twee weken na de brand startte Tijsterman zonder opdracht van Bremer met de sloop van de  voorgevel en het verwijderen van de verbrande huisraad van de krakers.
Op 23 maart 2005 heeft Bremer ambtenaar Ron de Waal gebeld (zie 50323T) om hem te zeggen (zie 50323G) dat er geen werkzaamheden aan zijn pand mochten worden verricht.
Uit dit gesprek blijkt duidelijk dat Ron de Waal zonder de toestemming van Bremer opdracht had gegeven aan Tijsterman om werkzaamheden aan het pand van Bremer te verrichten.
Wanneer en welke opdracht Ron de Waal c.q. het stadsdeel precies aan Tijsterman heeft gegeven is nog steeds onduidelijk.
Bremer kreeg pas op 14 april 2005 een ongedateerde werkomschrijving van de zonder zijn toestemming uitgevoerde werkzaamheden.
De brief is aangemerkt als besluit en na een bezwaarprocedure heeft het stadsdeel het besluit op 5 juni 2007 aangepast, omdat bij de aanschrijving niet was gemotiveerd waarom de aanschrijving pas was verstuurd nadat de werkzaamheden waren verricht.

Uitspraak Raad van State 23 december 2009
Het op 5 juni 2007 aangepaste besluit om Bremer kosten in rekening te brengen is op 23 december 2009 door de Raad van State vernietigd.
Het oordeel van de Raad van State was gebaseerd op het feit dat de sloper pas meer dan 2 weken na de brand werkzaamheden had verricht die het stadsdeel aanmerkte als noodzakelijk en spoedeisend om gevaar voor de openbare ruimte te voorkomen.
De Raad van State stelde dat het stadsdeel Bremer schriftelijk had moeten aanschrijven voor alle werkzaamheden die na 10 maart 2005 door de sloper waren verricht.
Aangezien de eerste werkzaamheden in verband met mogelijk gevaar voor de openbare ruimte pas meer dan 2 weken na de brand waren uitgevoerd, voldeed het stadsdeel niet aan de criteria om de werkzaamheden zonder kennisgeving c.q. aanschrijving uit te laten voeren.
Mede op grond van het feit dat Bremer naast zijn eigen kennis ook nog een onderzoek had laten doen door de gerenommeerde Brandschade expert Krantz en Polak Resolve vernietigde de Raad van State het op 5 juni 2007 gewijzigde besluit van 14 april 2005 om Bremer kosten in rekening te brengen voor de door Tijsterman uit gevoerde werkzaamheden.
Destijds was nog niet eens bekend dat het besluit van 14 april 2005 slechts is gebaseerd op een zeer dubieuze verklaring van inspecteur Ron de Waal.
De rechter die een oordeel moest vellen over het besluit om kosten in rekening te brengen heeft Ron de Waal op 16 oktober 2008 onder ede verhoord.
Bremer heeft op grond van het verhoor onder ede van Ron de Waal aangifte gedaan voor meineed (zie 10527).
Aangezien meerdere verklaringen onder ede van Ron de Waal aantoonbaar in strijd zijn met de feiten heeft Bremer de bewijsstukken ingebracht bij de procedure bij de Raad van State (zie 120221) en de aangifte voor meineed  (zie 120220).

Alle documenten over opdrachtverlening sloopwerkzaamheden niet geregistreerd
Op 23 februari 2012 heeft Bremer vragen gesteld in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur.
Uit de antwoorden op de WOB-vragen van 4 april 2012 blijkt dat er geen enkel gedateerd en ondertekend document is waarin de opdracht tussen sloper Tijsterman en het stadsdeel is vastgelegd.
De Waal heeft op 16 oktober 2008 onder ede verklaard dat hij een werkbeschrijving per fax aan Tijsterman heeft gezonden. Dit document is echter nergens geregistreerd. (zie 120404).
Ook de verklaring van de Waal dat zijn chef dezelfde werkbeschrijving zou hebben ondertekenend is niet meer te verifiëren.
Dit maakt Ron de Waal alleen maar meer verdacht. Normaal gesproken worden alle in en uitgaande documenten door het stadsdeel geregistreerd in het postregistratiesysteem (docman). Terwijl de Waal wist dat Bremer de eventueel noodzakelijke werkzaamheden in eigen beheer zou doen heeft hij hem alleen verzocht om het pand dicht te maken voor indringers.
Dat de officiële brieven nu verdwenen zijn is zeer vreemd.
Op de dag voor de zitting bij de bestuursrechter stuurde het stadsdeel een kopie van de door Ron de Waal opgestelde en door de eigenaar van 2eJvdH91 ondertekende verklaring dat deze aan Tijsterman de opdracht gaf alle noodzakelijke voorzieningen te treffen. Doordat de brief bij Rond de Waal was geregistreerd en niet in het postregistratiesysteem in niet te verifiëren wanneer de verklaring naar Boeren is gestuurd en of deze de verklaring inderdaad op 10 maart 2005 (zie 50310) zou hebben ondertekend.
In middels hebben reeds meer dan 20 juristen van het stadsdeel geprobeerd het “onzorgvuldige” handelen van Ron de Waal en andere ambtenaren van de afdeling handhaving B&W proberen recht te praten.
Tot mei 2012 heeft Bremer meerdere keren contact gehad met de Officier van Justitie die onderzoekt of Ron de Waal vervolgd kan worden voor meineed.
Op 16 mei 2012 had de Officier van Justitie nog steeds niet besloten of Ron de Waal vervolgd zal worden voor meineed.
Inspecteur Ron de Waal is sinds 2007 (zie 70421) een hoofdverdachte in de zogenaamde asbestfraude zaak en is sinds 2007 niet meer werkzaam als inspecteur handhaving bouwen en wonen.

Voor Bijlagen zie: 120516 Bijlagen opdrachtverlening sloopwerk

 

120303: Weerlegging stelling Nomden over ambtenaar Ed Molekamp

Dhr Nomden schreef in het verweerschrift:
3.2.19. Volledigheidshalve merkt het DB in dit verband op dat de insinuatie van de heer Bremer dat een ambtenaar bewust het adres heeft afgevoerd om te voorkomen
dat de heer Bremer zijn huurder kon uitzetten (pagina 12 van het bezwaarschrift)
volstrekt onjuist is en bovendien niet is onderbouwd. Nog afgezien van het feit dat
de adresbeschikking van 18 oktober 1999 geen invloed had op de mogelijkheid
om Wildevuur uit te zetten, betwist het DB uitdrukkelijk dat een ambtenaar zich in
die zin zou hebben uitgelaten of deze intentie zou hebben gehad.

Opm55a Bremer:
De door ambtenaar Ed Molekamp opgestelde adresbeschikking van 18 oktober 1999 heeft geen rechtsgevolg en had alleen betrekking op de nietszeggende verandering van de bestemming van 2eJvdH89-H. De bestemming veranderde op niet verklaarbare wijze van bedrijf in “bedrijf + woning”.
De adresbeschikking had geen effect op de positie van de illegale bewoner van de zelfstandige woning 2eJvdH89-1, maar het afvoeren van de woning 2eJvdH89-1 uit het woningbestand des te meer.  De woning werd afgevoerd met document 991015, dat ik nooit van het stadsdeel heb ontvangen.
Volgens document 991015 zou 2eJvdH89-H ontstaan zijn door samenvoeging van
O (onderhuis) en 1-hoog. Hierdoor verdween 2eJvdH89-1 uit het woningbestand.
De brief van 990915 om een zienswijze te geven over de bestemmingswijziging heb ik  niet ontvangen. Direct nadat ik de adresbeschikking ontving heb ik behandelend ambtenaar Ed Molekamp gebeld, met de vraag waarom ik een adresbeschikking kreeg waarop stond dat er in de bedrijfsruimte mocht worden gewoond.
Volgens Ed Molekamp had ik eerder moeten reageren om een zienswijze te kunnen geven. Ik ontving op 20 oktober 1999 alsnog de zienswijze brief (zie 990915).
Illegale bewoning:
Op 13 oktober schreef dhr de Wild Propitius zich uit van de woning 2eJvdH89-1.
De woning werd echter bewoond door W.Wildevuur die de woning in 1990 in onderhuur nam van de huurder en gebruiker van de bedrijfsruimte. (zie 901001).
Op 14 oktober 1999 stond er niemand meer op de woning ingeschreven en mocht de woning niet meer worden verhuurd in verband met de vernieuwbouw.
Als het pand niet gerenoveerd had hoeven worden kon de woning 2eJvdH89-1 worden verhuurd aan een meerpersoonshuishouden (de woning was grote dan 60m2) met een inkomen onder modaal. Aangezien Wildevuur een 1-persoons huishouden voerde en een inkomen had ver boven modaal voldeed hij niet aan de eisen van de SWD om de woning 2eJvdH89-1 te mogen bewonen.
Bovendien stond dhr Wildevuur ingeschreven op het adres van de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H waar ook zijn bedrijf European Perfusion Service stond ingeschreven. (950330). Wildevuur was zelfs stadsvernieuwingsurgent en zou een verhuiskostenvergoeding krijgen van het stadsdeel als hij zou gaan verhuizen vanuit de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H. (zie 990730).
Als het stadsdeel niet in het geniep het adres van de zelfstandige woning
2eJvdH89-1 had laten verwijderen uit woningbestand had de SWD eind oktober 1999 een meldingsformulier (zie 991032?) gestuurd waarop ik kon aangeven dat de woning 2eJvdH89-1 leeg was gekomen en dat ik de woning zou gaan renoveren volgens het vernieuwbouwplan op grond waarvan alle bewoners van het pand stadsvernieuwingsurgent waren.
Actie stadsdeel:
Doordat het stadsdeel de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 had laten verwijderen uit het woningbestand kon de SWD geen controle meer doen naar de illegale bewoning van 2eJvdH89-1. De woning 2eJvdH89-1 bestond namelijk officieel niet meer.
Op document 991015 was aangegeven dat er 2 verdiepingen zouden zijn samengevoegd. Dat is volstrekt onjuist, want er heeft tussen 1980 en oktober 1999 geen verbouwing plaatsgevonden.
Er is bovendien nimmer een samenvoegingsvergunning verstrekt.
Ik heb als eigenaar in oktober 1999 van het stadsdeel geen informatie gekregen dat de woning 2eJvdH89-1 zou worden afgevoerd en waarom.
Voor de onrechtmatige onderhuurder kwam het afvoeren van de zelfstandige woning uit het woningbestand zeer goed uit. De SWD kon namelijk niet meer handhaven op de onrechtmatige bewoning.
Ed Molekamp spreekt zijn mond voorbij:
In een telefoongesprek van 23 augustus 2001 klapt Ed Molekamp uit de school.
Op mijn reactie dat het stadsdeel beter helemaal geen tijd in de adresbeschikking en het afvoeren van het adres had kunnen stoppen reageert Ed Molekamp met:
183.Molekamp: Nee,Ja,Ja. Dan had jij lekker je bewoners er uit kunnen schoppen zeker. Ha, ha, ha. Ja.
Nee, Eh. Volgens mij klopt het en anders moet je maar weer een verzoek indienen schriftelijk. Dan gaan we er wel weer naar kijken.   
195.Bremer: Maar waarom zou ik de bewoners er uit willen schoppen?
Molekamp: Nou ja dat mag ik ziet zeggen misschien.  
Als ik bewoners over de vloer krijg die dat zeggen dan neem ik dat over. Het is misschien niet zo verstandig als ik dit zeg, maar ja.
Blijkbaar heeft dhr Ed Molekamp het adres bewust afgevoerd, zodat dhr Wildevuur niet door de SWD uit de zelfstandige woning kon worden gezet.
Ed Molekamp heeft dit gedaan nadat een bewoner bij hem was langsgekomen, die vreesde om uit zijn woning zou worden geschopt.
Ed Molekamp en zijn hoofd Redband Visser handelden ontzettend snel.
Op 13 oktober 1999 stond er niemand meer ingeschreven op 2eJvdH89-1.
Met het document van 991015 werd 2eJvdH89-1 verwijderd uit het woningbestand.
Op 991018 kreeg is een vreemde nietszeggende adresbeschikking waartegen ik bezwaar kon maken om mij zand in de ogen te strooien.
Het document 991015 heb ik nimmer van het stadsdeel ontvangen.

Aangezien Ed Molekamp en zijn chef Redband Visser nimmer hebben onderbouwd waarom de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 is verwijderd uit het woningbestand kan op grond van het telefoongesprek met Ed Molekamp geconstateerd worden dat hij en zijn chef het adres 2eJvdH89-1 willens en wetens hebben afgevoerd om mij dwars te zitten bij de noodzakelijke renovatie van het pand en de onrechtmatige bewoner te helpen aan een riante “bedrijf + woonruimte”.
Hiermee is het geen insinuatie meer maar een niet te weerleggen stelling.
Verder verwijs ik naar de transcriptie (010823T) en de volledige geluidsopname van het gesprek met dhr Ed Molekamp (Gehele gesprek 10823).

120301: Weerlegging stelling Nomden over Hoofd Handhaving Redband Visser

Dhr Nomden schreef in het verweerschrift:
3.2.20. Daarnaast is hetgeen de heer Bremer stelt over de mogelijkheid om de
bedrijfsruimte af te splitsen van de bovenwoningen eveneens onjuist. Dit geldt in
het bijzonder ten aanzien van de weergave van de brieven van de afdelingen
Vergunningen en Handhaving. De werkelijke situatie was als volgt. De heer
Bremer heeft de afdeling Vergunningen onjuist geïnformeerd over de feitelijke
situatie ter plaatse, waardoor bij deze afdeling de indruk is gewekt dat er sprake
was van afzonderlijke verblijfsobjecten. Op basis van die informatie berichtte de
afdeling Vergunningen de heer Bremer dat hij geen splitsingsvergunning nodig
had. Naar aanleiding van een verzoek van de heer Bremer om aparte adressen
toe te kennen aan de begane grond en eerste verdieping, heeft de afdeling
Handhaving een inspectie laten uitvoeren. Daaruit bleek dat de heer Bremer ten
onrechte had gesteld dat er sprake was van twee afzonderlijke objecten die alleen
met een buitentrap met elkaar waren verbonden. De twee verdiepingen vormden
één object dat met een binnentrap was verbonden. Op basis van deze nieuwe
informatie heeft de afdeling Handhaving de heer Bremer bericht dat er geen
aanleiding was voor de toekenning van twee aparte adressen en dat de brief van
de afdeling Vergunningen niet op de situatie in het pand van toepassing was,
omdat de feitelijke situatie anders bleek te zijn dan de heer Bremer die afdeling
had voorgehouden. De afdeling Vergunningen heeft derhalve geen “toestemming”
gegeven voor afsplitsing van de bedrijfsruimte en de afdeling Handhaving heeft
die “toestemming” derhalve ook niet “ingetrokken”.

Opmerking 55b Bremer:
Dhr Nomden verdraait de feiten.
De indeling van het pand was vastgelegd in de tekeningen bij de bouwvergunning.
Uit de indeling van de onderste twee bouwlagen blijkt duidelijk dat dit twee afzonderlijke objecten betreft. (zie bouwtekening 000907).
Ook vanaf de straat was duidelijk te zien dat de bedrijfsruimte op de begane grond en de zelfstandige woning op de eerste verdieping een eigen toegangsdeur hadden (zie 990428).
Het stadsdeel beschikte over alle informatie om te kunnen beoordelen of de woning op de eerste verdieping een zelfstandig object was.
In 1980 bestond het pand uit vier objecten: 2eJvdH89-H, 1, 2, 3. Sindsdien was er geen bouwvergunning verstrekt op grond waarvan objecten samengevoegd mochten worden en dus bestond 2eJvH89 nog steeds uit 4 objecten.
In oktober 1999 was de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 uit het woningbestand verwijderd op grond van het onjuist opgemaakt document 991015.
Op 70829 heeft de Raad van State geoordeeld dat de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 net zoals op 980126 weer een apart adres moest hebben.
Toen de afdeling vergunningen op 20417 toestemming gaf om de bedrijfsruimte af te splitsen van de drie woningen, had het stadsdeel er weer voor moeten zorgen dat alle drie zelfstandige woningen weer een adres kregen.
De afdeling van dhr Ed Molekamp en Redband Visser zaten klem.
In oktober 1999 hadden ze zonder samenvoegingsvergunning en in strijd met de APV het adres van de zelfstandige woning laten verwijderen.
Nu moesten ze weer een apart adres toekennen omdat de afdeling vergunningen op grond van het feit dat de bedrijfsruimte op de begane grond sinds 1932 als bedrijfsruimte was gebruikt afgesplitst mocht worden van drie zelfstandige woningen.
Redband Visser heeft dit bereikt door mij valselijk te beschuldigen van het verstrekken van onjuiste informatie.
Volgens de door Ed Molekamp opgestelde brief zou ik tegen Radband Visser hebben gezegd dat er geen binnentrap aanwezig zou zijn tussen de begane grond en de zelfstandige woning op de eerste verdieping.
Volgens Redband Visser was de bedrijfsruimte en de woning op de eerste verdieping 1 object en daarom hoefde de woning geen adres te hebben.
Redband Visser heeft echter willens en wetens de APV niet gehanteerd.
De woning was zelfstandig, omdat het beschikte over een eigen toegangsdeur, een badgelegenheid en een kookgelegenheid.
Of er al dan niet een trap was tussen de bedrijfsruimte en de zelfstandige woning op de eerste verdieping was helemaal niet relevant voor het feit dat de onderste twee verdiepingen aparte objecten waren.
Redband Visser heeft de brief 20506 wel naar de notaris gestuurd, maar de afdeling vergunningen heeft het besluit op grond waarvan de bedrijfsruimte mocht worden afgesplitst van de 3 zelfstandige woning nooit in getrokken en wellicht zelfs nooit ontvangen.
Door mij valselijk te beschuldigen van leugens heeft Redband Visser op grond van zijn onjuiste weergave van een telefoongesprek de volkomen rechtvaardige afsplitsing van de bedrijfsruimte van de boven woningen weten te voorkomen.
Uit bijgevoegde transcriptie (20502T) en de geluidsopname (20502G) van het telefoongesprek dat ik op 2 mei 2002 voerde met Redband Visser blijkt dat ik in dat gesprek niets heb gezegd over een binnentrap.
Ik gaf een volkomen juiste weergave van de bouwkundige indeling die in overeenstemming was met de tekening bij de in 2000 verstrekte bouwvergunning.
Op 17 januari 2003 heeft Redband Visser aan wethouder Emile Jaensch moeten uitleggen waarom het adres was afgevoerd zonder bouw en of samenvoegingsvergunning.
In het gesprek op 17 januari 2003 met wethouder Emile Jaensch heb ik Redband Visser geconfronteerd met zijn leugens en heeft hij vrijwel uitsluitend gestotterd. Redband Visser heeft in 2003 nog afscheid genomen van Stadsdeel Oud Zuid.
Hoewel wethouder Emile Jaensch volgens eigen zeggen wist dat de ambtenaren het adres van de zelfstandige woning ten onrechte hadden afgevoerd heeft het stadsdeel tot augustus 2004 geweigerd om een voor beroep vatbaar besluit te nemen over het weer toekennen van een adres aan de woning op de eerste verdieping.
Pas in 2007 oordeelde de RvS dat de zelfstandige woning op de eerste verdieping per terugwerkende kracht het adres 2JvdH89-1 moest hebben.
Door het afvoeren van het adres werd de gelegenheid geboden aan meer dan 50 mensen om het pand 2eJvdH89 onrechtmatig te bewonen.
Op 8 maart 2005 ging het gekraakte pand in vlammen op.
De geleden schade is enorm.

100415: Het gebruik van 2e Jan van der Heijdenstraat 89

Tot voor zover is na te gaan was op de begane grondverdieping van 2eJvdH89 sinds 1920 een bedrijf gevestigd. Van 1948 tot 1989 zat er een drukkerij en daarna een elektronica zaak. De bovengelegen woning 2eJvdH89-1 werd destijds bewoond door de eigenaar van het bedrijf. De huurovereenkomst viel onder het regime bedrijfshuur.
In 1995 werd de huurovereenkomst opgezegd en bleek dat zowel de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H als de daarboven gelegen distributiewoning 2eJvdH89-1 in gebruik waren genomen zonder toestemming van de eigenaar. De woning bleek zonder de vereiste woonvergunning en toestemming van de eigenaar te zijn onderverhuurd aan W.Wildevuur. (zie de door W.Wildevuur opgesteld onderhuurovereenkomst voor 2eJvdH89-1:  901001) .
In overleg met de toenmalige eigenaar mocht de gebruiker van de bedrijfsruimte in verband met de vestiging van zijn bedrijf in de bedrijfsruimte de huurovereenkomst van de vorige huurder van de bedrijfsruimte overnemen. Sinds maart 1995 betaalde de gebruiker European Perfusion Service (hierna EPS) dezelfde huur als de vorige huurder TV Video center. (zie registratie EPS op bedrijfsruimte 2eJvdH89-H: 950330).

100412: September 1999

Op 30 juli 1999 (zie 990730) kregen alle bewoners van 2eJvdH89 van het stadsdeel de stadsvernieuwingsstatus op grond van een vernieuwbouwplan.
Zij kregen 8000 gulden voor de uitplaatsing van het stadsdeel. Drie van de vier bewoners wilden daar graag gebruik van maken.
Voor de bewoner van woning 2eJvdH89-1 (die een bedrijf had gevestigd in de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H) ontstond een probleem toen de woninggerechtigde van de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 zich uitschreef.
De bewoner van 2eJvdH89-1 had namelijk geen woonvergunning en geen huurovereenkomst voor de zelfstandige distributiewoning 2eJvdH89-1. Bovendien was niet hij maar dhr de Wild Propitius de woninggerechtigde, omdat de Wild Propitius reeds 15 jaar op 2eJvdH89-1 stond ingeschreven. (zie 980126 en 991028).

100411: Oktober 1999

Op 13 oktober 1999 schreef  de woninggerechtigde dhr de Wild Propitius zich uit van de woning 2eJvdH89-1  (zie 980126 en 991028).
Op dat moment had de stedelijke woningdienst volgens de toenmalige regels binnen een week contact moeten opnemen met de eigenaar om een nieuwe huurder voor de distributiewoning voor te dragen of een termijn aan te geven voor de renovatie. Door twee zeer bijzondere acties van het stadsdeel gebeurde dat niet.
1. Op 15 oktober 1999 werd een document opgesteld door ambtenaar Ed Molekamp waarop stond vermeld dat de onderste twee bouwlagen waren samengevoegd en er een verbouwing had plaats gevonden. (zie 991015)
2. Op 18 oktober 1999 werd door ambtenaar Ed Molekamp een adresbeschikking gemaakt waar tegen bezwaar kon worden gemaakt. (zie 991018)