100403: Januari 2003 ‘Onafhankelijk’ onderzoek benodigde samenvoegingvergunning

Op 20 oktober 2001 informeerde Bremer wethouder Ger de Visser over de stagnerende vernieuwbouw en verzocht hij nogmaals om de samenvoeging van 2eJvdH89-H en 2eJvdH89-1 ongedaan te maken en weer een adres te verstrekken aan de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 (zie 011020).
Wethouder Ger de Visser heeft de brief 6 maanden laten rusten en overgedragen aan zijn opvolger Emile Jaensch.
Direct bij zijn aantreden als wethouder heeft Bremer dhr Jaensch verzocht om een gesprek over de problemen als gevolg van de samenvoeging en het uitblijvende antwoord op de brief van 20 oktober 2001.
Uiteindelijk kreeg Bremer via dhr Jaensch op 20 december 2002 (na 14 maanden  zie 21220) een kopie van de brief die Redband Visser (hoofd Handhaving) op 13 mei 2002 niet naar mijn woonadres maar naar het destijds gekraakte pand had gestuurd (zie 20513).

Op 15 januari 2003 informeerde Bremer dhr Jaensch uitvoerig over de illegale samenvoeging en de consequenties daarvan. Na dit gesprek gaf Bremer op verzoek van dhr Jaensch in een email aan wat de gevolgen waren van de samenvoeging zonder vergunning en het verwijderen van de woning 2eJvdH89-1 uit de vastgoedregistratie.
De heer Jaensch stelde voor om de heer Redband Visser in een gesprek op 17 januari 2003 te laten uitleggen waarom er geen samenvoegingvergunning nodig was voor de samenvoeging van 2eJvdH89-H met 2eJvdH89-1.
In de email van dhr Emile Jeansch aan dhr Redband Visser werd dhr Visser op deze vragen voorbereid  (Zie email 30116).
Tijdens het gesprek van 17 januari 2003 zat de heer Redband Visser met een bezweet rood hoofd aan de tafel en hield hij angstvallig zijn mond.
De heer Jaensch deed het voorstel om een onafhankelijke instantie een onderzoek te laten doen. Bremer stemde hier aanvankelijk niet mee ingestemd, omdat de heer Jaensch hem duidelijk had aangegeven dat Redband Visser in het gesprek had moeten aangeven waarom er geen samenvoegingsvergunning nodig was voor het afvoeren van de zelfstandige woning en de samenvoeging van 1-hoog met Huis. Bremer heeft toen zijn verbazing uitgesproken over het feit dat het hoofd handhaving niet op de hoogte was van de noodzaak van een samenvoegingsvergunning.
Uiteindelijk stemde Bremer in met het onafhankelijk onderzoek naar het afvoeren van de zelfstandige woning uit het woningenbestand zonder de benodigde vergunning. Een uur na het gesprek kreeg Bremer per fax een brief waarin hem werd meegedeeld dat het onderzoek zou worden gedaan door de Milieu- en Bouwtoezicht van de gemeente. Volgens de vraagstelling werd er echter geen onderzoek gedaan naar het afvoeren van het adres zonder samenvoegingsvergunning (zie 30117).
Toen Bremer de onderzoeker daarna direct belde was hij reeds in het bezit van een dossier van het stadsdeel. Met onderzoeker Wim Mulder sprak Bremer af dat hij voor eind januari ook een dossier zou opstellen zodat Mulder volledig zou zijn geinformeerd. Bremer bezorgde zijn dossier op 31 januari bij de Milieudienst (zie 30131).
Op 14 februari ontving Bremer een rapport van de Milieu Dienst en bleek dat de door hem verstrekte informatie niet was meegenomen in het “onafhankelijke” onderzoek. Op 12 februari 2003 zou de heer Jaensch er voor zorgen dat Bremer een kopie zou krijgen van het dossier dat naar de Milieu Dienst was gestuurd voor het “onafhankelijke” onderzoek. Twee maanden later werd dit door het stadsdeel tegen gesproken.
Op 14 april maakte Bremer gebruik van de mogelijkheid om het hele dossier over 2eJvdH89 in te zien.  In dit dossier zat de email van dhr Jaensch aan de heer Redband Visser waarin stond dat hij de vraag moest beantwoorden waarom er zonder een samenvoegingsvergunning een adresbeschikking was afgegeven. (zie 30116).
In dit dossier zat ook een email van Redband Visser aan de “onafhankelijke” onderzoeker Wim Mulder waarin de heer Visser aangaf dat hij een aantal wijzigingen in het “onafhankelijke” onderzoek had aangebracht en dat Redband Visser voor het onderzoek zou betalen (zie 30204).
Op 15 april 2003 schreef Bremer de heer Jaensch dat hij het onderzoek niet als onafhankelijk beschouwde en verzocht hij nogmaals om de oorspronkelijke indeling van het pand te herstellen zoals die was voor de adresbeschikking (30415).
Tijdens de commissievergadering ROW van 6 mei 2003 heeft wethouder Jaensch gezegd dat uit een onafhankelijk onderzoek bleek dat de adresbeschikking terecht was verstrekt.
Op 19 mei 2003 (30519) stuurde Bremer naar de raadsleden ter informatie de brief + bijlagen die hij ook op 15 april 2003 stuurde naar wethouder Jaensch om hem te informeren over de illegale samenvoeging door het stadsdeel.
Behalve Bremer was er niet 1 bestuurder of raadslid die het vreemd vond dat er 2 objecten door het stadsdeel konden worden samengevoegd zonder samenvoegingsvergunning.
Vervolgens duurde het nog meer dan vier jaar voordat de Raad van State oordeelde dat de zelfstandige woning op de eerste verdieping en de bedrijfsruimte op de begane grond aparte adressen hadden moeten hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *