70603: 5.Brandveiligheid

Om het pand te kunnen renoveren moest eerst de begane grond voor funderingsherstel beschikbaar zijn.
Aangezien de gebruiker van de bedrijfsruimte niet wilde meewerken, was het funderingsherstel pas mogelijk als er een zodanige aanschrijving kwam dat de gebruiker wel moest meewerken. Dit kon door het aanschrijven op het horizontaal leggen van de vloeren.
Hoewel inspecteur de Waal niet over gegevens beschikte over de scheefstand, heeft hij de renovatie niet mogelijk gemaakt door het pand aan te schrijven op het horizontaal leggen van de vloeren.
De uiteindelijke brand van het pand had ook voorkomen kunnen worden door de bovenste verdiepingen onbewoonbaar te verklaren.
Naar ik van de bewoners had begrepen, hadden zij reeds in december 2003 op simpele wijze een WC en de keuken en een wasgelegenheid gemaakt.
Van buurtbewoners had ik begrepen dat de bewoners veel hout gebruikten om wanden te maken. Mede hierdoor heb ik inspecteur de Waal meerdere keren gevraagd om de bovenwoningen onbewoonbaar te verklaren. Ik heb hiertoe gewezen op andere gemeenten die in soortgelijke situaties het pand wel hadden laten ontruimen. (zie 51108)
Aanvankelijk leek het alsof dhr de Waal wilde meewerken om de woningen onbewoonbaar te verklaren. Uiteindelijk heeft dhr de Waal nauwelijks aandacht besteed aan de brandgevaarlijke situatie. Volgens de aanschrijving van mijn pand hoefde er in mijn pand minder dingen te worden gedaan met betrekking tot brandveiligheid dan het naastgelegen pand dat was verkocht aan de huizenhandelaar. (vergelijk 41202S87 met 41202B89).
Op 40527 heb ik het stadsdeel verzocht om mee te werken aan een ontruiming via de OvJ. Op 40629  stelde het stadsdeel daaraan de eis dat ik een planning zou moeten verstrekken en een nieuwe bouwaanvraag moest indienen. Op 40708 heb ik een planning verstrekt, maar het stadsdeel weigerde desondanks een gesprek aan te gaan met de OvJ.
Dhr de Waal en zijn collega van der Brug maakten het op doortrapte wijze onmogelijk dat ik mijn pand kon renoveren. In de brief van 40629 stelde het stadsdeel als eis dat ik een nieuwe bouwvergunning moet aanvragen, maar dat was voor het ontruimen van het pand helemaal niet relevant, omdat ik al sinds 2000 een bouwvergunning had.
Op 40702 heb ik nogmaals gevraagd of het pand ontruimd kon worden op grond van de brandgevaarlijke situatie. Hierbij heb ik nadrukkelijk vermeld dat het Nuon de gas- en elektriciteitsinstallatie had afgesloten.
Volgens het integrale handhavingsbeleid moet als vast staat dat ten gevolge van het niet functioneren dan wel afgesloten zijn van gas- en/of elektriciteitsinstallaties een onvoldoende veiligheid aanwezig is, handhavend worden opgetreden middels het staken van het gebruik van de desbetreffende woning of het gebouw. In overleg met de Burgemeester zal dan direct tot ontruiming worden overgegaan (zie 60321).
Ik heb de brieven van 40629 en 40702 met dhr de Waal besproken en heb zelfs in overleg met hem een planning opgesteld (zie 40708) . Uiteindelijk was dit een spelletje van dhr de Waal.
Van overleg met de OvJ op grond van het afsluiten van de nutsvoorzieningen is het nooit gekomen. Dhr de Waal liet daarna steeds weten dat er spoedig een definitieve aanschrijving zou komen en dat ik op grond daarvan de gebruikers kon moveren om mee te werken aan de renovatie.
Bij de definitieve aanschrijving  (41202B89) werd echter het horizontaal leggen van de vloeren toch niet opgenomen, terwijl dit bij de panden van de huizenhandelaar wel het geval was.
Enige maanden na de brand heeft de PvdA in de stadsdeelraad vragen gesteld over de brand.
Volgens de PvdA is het stadsdeel een afspraak medio 2004 om het pand te controleren op brandveiligheid nooit nagekomen (zie 51129PvdA pag 2) .
Het stadsdeel beantwoordde deze vraag door te stellen dat in de aanschrijving een negental voorzieningen waren opgenomen die verband houden met brandveiligheid.
Deze beantwoording is om de volgende redenen misleidend:
1. Het stadsdeel had de panden vrijwel identiek aangeschreven en had de panden van de huizenhandelaar juist ten aanzien van brandveiligheid ingrijpender aangeschreven.
2.De aanschrijving bevat geen enkele verwijzing naar de afgesloten nutsvoorzieningen, terwijl bij het stadsdeel bekend was dat de gas- en/of elektriciteitsinstallaties door het Nuon was afgesloten.
3.Het stadsdeel geeft aan dat de aanschrijving het middel was om iets aan de brandveiligheid te doen. Dat is in feite onjuist, want door de manier van aanschrijven bleef het voor mij onmogelijk om de noodzakelijke renovatie uit te voeren. Alleen als ik was aangeschreven op dezelfde wijze als het naastgelegen pand van het stadsdeel (cq de huizenhandelaar) had ik de mogelijkheid gekregen om het pand te renoveren.
Na de brand heeft het stadsdeel het onderzoek naar de oorzaak van de brand tegengewerkt en onmogelijk gemaakt. Ik heb nooit een rapport van de brandweer, politie of het stadsdeel ontvangen.
In de antwoorden op de schriftelijke vragen van 51129PvdA blijkt dat het NUON heeft vastgesteld dat er ter plaatse een illegale gasaansluiting was.
Ondanks mijn melding op 40702 en het verzoek van de bewoner van 2eJvdH91 heeft het stadsdeel geen actie ondernomen om het pand te laten ontruimen, omdat er geen gas- en elektriciteitsinstallatie meer in de bovenwoningen aanwezig was.
xx tekst verwijderd ivm privacy xx

70602: 6. Sloopkosten

Op de ochtend van 8 maart 2005 na de brand heeft dhr de Waal om 9.00 uur een opdracht verstrekt aan een sloopbedrijf zonder mij daarvan van tevoren op de hoogte te stellen.
Toen ik dit vernam heb ik duidelijk gemaakt dat er aan mijn pand voorlopig nog niets moest gebeuren voordat de oorzaak van de brand was vastgesteld.
Verder heb ik te kennen gegeven dat ik alle werkzaamheden aan mijn pand in eigen beheer wilde doen en dat ik daarvoor per direct een bouwteam beschikbaar had. Ik heb gevraagd wat ik per direct kon en moest doen. Het enige wat ik kon en moest doen volgens Ron de Waal was het ontoegankelijk maken van het pand. Dit heb ik in de middag van 8 maart 2005 gedaan.
Hoewel de naastgelegen panden na de brand op 8 maart 2005 niet meer bewoond zouden worden, werden er kostbare voorzieningen getroffen die veelal overbodig waren.
De eerste weken werden er werkzaamheden aan de panden 2eJvdH87 en 91 gedaan, maar de laatste dagen dat de sloper werkte heeft deze zonder mijn toestemming en zonder enige vorm van overleg houtkool en huisraad uit mijn pand verwijderd en de voorgevel gesloopt.
Hierdoor was het niet meer mogelijk voor mij en derden onderzoek te verrichten naar de oorzaak van brand.
Achteraf heeft dhr de Waal een notitie opgesteld waarin hij o.a. schreef dat ik alle medewerking en opdrachtverstrekking weigerde ondanks 4x herhaald verzoek. (zie 50324)
Op 14 april 2005 kreeg ik van het stadsdeel een werkomschrijving van het sloopbedrijf voor werkzaamheden aan de panden 2eJvdH87-89-91 en op 13 mei 2005 kreeg ik een rekening van het stadsdeel van ruim 45.000 Euro.
Volgens de notulen van de zitting voor de beroeps- en bezwaarschriftencommissie van 22 februari 2007 heeft een lid aan dhr de Waal gevraagd toe te lichten waarom er direct is gekozen voor bestuursdwang. Dhr de waal antwoordde hierop: “Bij dhr Bremer bestond geen enkele bereidheid om op dat moment doelgericht op te treden.”
Dat is onjuist omdat ik had aangegeven dat ik alles in eigen beheer wilde doen en aan de heer de Waal heb gevraagd of er iets aan mijn pand moest gebeuren. De heer de Waal gaf toen alleen aan dat ik het pand moest dichttimmeren en verder niets.

Ik heb vanaf 8 maart 2005 zijn alle (telefoon)gesprekken met dhr de Waal opgenomen.
Op grond van deze gesprekken valt duidelijk af te leiden dat dhr de Waal dhr Bremer geen 4 keer heeft verzocht om een opdracht te verstrekken voordat het stadsdeel een opdracht verstrekte.

Ik verzoek u dhr Ron de Waal te vervolgen voor xxx.

Ik wil later in de gelegenheid gesteld worden om dit dossier aan te vullen en toe te lichten.
Als u na lezing van dit stuk vragen heeft, ben ik graag bereid u meer informatie te verstrekken.
Ik wil u zo nodig graag op alle manieren helpen bij uw onderzoek.

Ik verzoek u de strafbare feiten waarvan aangifte wordt gedaan te doen onderzoeken. Tevens verzoek ik u te worden geinformeerd omtrent de voortgang van het onderzoek en de beslissing ten aanzien van de vervolging als bedoelt in artikel 167 Wetboek van strafvordering.

Waarvan door mij aangifte werd gedaan te Amsterdam op 29 juni 2007.
H.C. Bremer