70629: Aangifte inzake verdachte vastgoedtransacties stadsdeel Oud Zuid

Tijdens mijn laatste raadsvergadering op 1 maart 2006 (zie 60301) heb ik als raadslid een interpellatie aangevraagd over twee dubieuze vastgoedtransacties van stadsdeel Oud Zuid. De toenmalig voorzitter van de stadsdeelraad van Oud-Zuid Egbert de Vries heeft de interpellatie niet toegestaan. Aangezien ik niet werd herkozen en andere raadsleden dit onderwerp niet oppakten heb ik een dossier aangeboden aan de hoofd officier van Justitie.
Het dossier is bekeken door een Officier van Justitie en het Functioneel parket. Door miscommunicatie is de aangifte lang blijven liggen en er is nog geen officiële beslissing over het dossier genomen. Waarschijnlijk belandt dit dossier in een archief.
Tegen sommige in het dossier genoemde personen is op 29 juni 2007 aangifte gedaan, maar zullen op wellicht een enkeling na niet worden vervolgd. De artikelen zijn delen van de aangifte en moeten ook zo geïnterpreteerd worden. Beweringen zijn zo veel mogelijk gestaafd met bewijsstukken. Sommige privacy gevoelige teksten zijn weggelaten.
Nadat dit dossier is overgedragen aan het OM heeft de Raad van State geoordeeld dat het stadsdeel tot twee keer toe onrechtmatige heeft gehandeld.
Op 29 augustus 2007 (zie70829) oordeelde de Raad van State dat het stadsdeel de huisvestingswet en de APV niet hadden gehanteerd en zonder samenvoegingsvergunning de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H en de zelfstandige woning 2eJvdH89-1 hadden samengevoegd.
Op 23 december 2009 (zie 91223) vernietigde de Raad van State een besluit van het stadsdeel om mij kosten in rekening te brengen voor het zonder overleg slopen van onder andere de voorgevel van het pand 2eJvdH89.

De oorspronkelijke aangifte is gesplitst in de volgende artikelen:
0. Inleiding
1. Slechts 3 personen uitgenodigd voor “openbare” inschrijving panden stadsdeel  
1a. 2e Jan van der Heijdenstraat 87+95
1b. Quellijnstraat 138-2
1c. Wat maakt de verkoop van de stadsdeelpanden dubieus?
1d. Samenvatting dubieuze verkoop panden
2. Willekeur en onrechtmatig handelen ambtenaren stadsdeel
3. Het dubieuze handelen van inspecteur Ron de Waal
4. Scheve vloeren
5. Brandveiligheid
6. Sloopkosten
7. Bijlagen

70612: 0. Inleiding

Geachte heer de Wit,
Bij deze wil ik uw aandacht vragen voor een aantal dubieuze vastgoedtransacties van Stadsdeel Oud Zuid en het manipuleren van aanschrijvingen waardoor enkele vastgoedhandelaren zich met behulp van ambtenaren van het stadsdeel aanzienlijk hebben kunnen verrijken.
Een van de ambtenaren die hierbij betrokken is betreft dhr Ron de Waal. Ik heb onlangs uit de media begrepen dat er naar de heer de Waal ook een ander strafrechtelijk onderzoek loopt.
Ik heb de stellige overtuiging dat ambtenaren van stadsdeel Oud Zuid onrechtmatig hebben gehandeld bij de verkoop van panden van het stadsdeel aan een drietal huizenhandelaren en dat enkele ambtenaren deze handelaren ook op andere manieren systematisch hebben bevoordeeld.
Ik ben vanwege diverse hoedanigheden (ervarings)deskundige:
1.Ik ben bouwkundige
2.Ik ben 8 jaar lang raadslid in stadsdeel Oud Zuid geweest
3.Ik ben 4 jaar lid van de huurcommissie geweest
4.Mijn pand 2eJvdH89 maakte deel uit van het onderhavige stadsdeelproject 2eJvdH85-99
5.Een partijgenote was mede-eigenaar van een pand waarvan het stadsdeel een leegstaand appartement te koop aanbood aan dezelfde 3 uitverkoren huizenhandelaren.

Ik zal achtereenvolgens ingaan op (1) de verdachte transacties en (2) de willekeur en het onrechtmatig handelen van het stadsdeel.
Ik verzoek u dit schrijven te behandelen als een aangifte en wordt graag gehoord, omdat ik niet alle feiten aan papier toevertrouw.
Veel stellingen in dit stuk kan ik aantonen met behulp van opgenomen (telefoon)gesprekken en andere informatie. Op het moment van verhoor zal ik in overleg met uw dienst hierop een toelichting geven. Mede naar aanleiding daarvan kan ik deze aangifte gericht aanvullen.
Ik wil eerst ingaan op de merkwaardige verkoop van de panden 2eJvdH87+95 en Quellijnstraat 138-2 middels een tender waarop slechts enkele uitverkoren huizenhandelaren konden reageren, terwijl de huizenhandelaren elkaar niet alleen kenden maar zelfs samen eigenaar waren van een BV.

70611: 1.Slechts 3 personen uitgenodigd voor ‘openbare’ inschrijving

Stadsdeel Oud Zuid verkocht sinds 2002 een aantal panden. Dit gebeurde met een zogenaamde tender waarop huizenhandelaren konden inschrijven.
Vreemd genoeg waren dit steeds dezelfde (rechts)personen.
Vreemd genoeg was het hoogste bod steeds gelijk aan de minimale verkoopprijs van het grondbedrijf.
Vreemd genoeg werden de panden binnen een jaar voor 2,5 tot 6 keer zo veel doorverkocht.

U kunt klikken op onderstaande berichten om te lezen en een reactie te geven.
1a. 2e Jan van der Heijdenstraat 87+95
1b. Quellijnstraat 138-2
1c. Wat maakt de verkoop van de stadsdeelpanden dubieus?
1d. Samenvatting dubieuze verkoop panden door Stadsdeel

70610: 1a. 2e Jan van der Heijdenstraat 87+95

Stadsdeel Oud Zuid gaf op 17 oktober 2005 2 panden in de 2eJvdH uit in erfpacht voor samen 375.000 Euro en stelde de prijs van de opstallen vast op waarde nihil (zie 51017). De koper verkocht deze panden binnen een halfjaar door op erfpacht voor totaal EUR 1.500.000 (zie 60411). Met deze transacties had de koper dus totaal EUR 1.500.000 “verdiend”.
Drie kandidaten mochten in 2004 op de panden bieden. Ik heb sterke aanwijzingen dat de drie kandidaten elkaar al kenden en waarschijnlijk ook wisten dat zij tot de zeer selecte groep hoorden die op de panden mochten bieden.
Het is verder merkwaardig dat dezelfde drie (rechts)personen ook mochten bieden op een ander object (Quellijnstraat 138-2).
Waarom slechts deze drie kandidaten mochten bieden is volstrekt onduidelijk.
Kandidaat koper dhr Weijnen kocht in 2003 ook een vrijstaande woning met kantoorruimte van het stadsdeel voor een zeer schappelijke prijs van 112.480 Euro (zie 30917).
De panden van het stadsdeel maakten deel uit van de stadsvernieuwingslocatie 2eJvdH85-99.
In 1999 bood het stadsdeel aan haar 2 panden 2eJvdH87+95 te verkopen aan de andere particuliere eigenaren (waaronder ik) van de locatie. Het stadsdeel is deze aanbieding echter niet nagekomen. Op 2 juli 2004 deed ik een bod op de panden en daarin betrok ik mijn geleden schade als gevolg van het illegaal samenvoegen door het stadsdeel van de zelfstandige woning 2eJvdH89-1met de bedrijfsruimte 2eJvdH89-H van mijn pand (zie 40702 en 40703).
Van de illegale samenvoeging heb ik aangifte gedaan bij Officier van Justitie Mr. J.E.R. Osinga, omdat ambtenaren van het stadsdeel documenten valselijk hebben opgemaakt.
Op 22 juli 2004 besloot het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel om 2 panden te verkopen in de 2e JvdH voor samen 375.000 Euro (zie 40722). Uit de daarbij gevoegde brief van 22 juni 2004 (zie 40623) blijkt dat de bieder echter niet had voldaan aan de inschrijvingsvoorwaarden. Bij besluit van 22 juli 2004 ging het stadsdeel toch akkoord met de bieding van Sandstenen Projecten, terwijl toen nog niet aan de inschrijvingsvoorwaarden was voldaan. Op 1 augustus 2004 moesten de aanvragen voor de bouwvergunningen zijn ingediend, maar ook aan die voorwaarde werd door Sandstenen Projecten niet voldaan.
Op 17 augustus 2004 is er melding gedaan in de stadsdeelkrant dat er voor 2eJvdH87+95 bouwaanvragen waren gedaan. Destijds heb ik de stukken bekeken en geconstateerd dat deze niet volledig waren. Verder bleek volgens de stempels de datum van binnenkomst 31 juli 2004 te zijn en dat was vreemd genoeg een zaterdag.
Wat hier ook van zij het besluit van 22 juli 2004 was zonder meer onrechtmatig. Volgens de voorwaarden zou er eerst getoetst moeten worden of er voor 1 augustus 2004 een bouwaanvraag was ingediend alvorens akkoord kon worden gegaan met de uitgifte in erfpacht aan Sandstenen Projecten BV. Het besluit had dus pas na 1 augustus genomen kunnen worden.
Uit de brief van 22 juni 2004  blijkt ook dat er aan de inschrijvingsvoorwaarden niet was voldaan. Volgens de inschrijvingsvoorwaarden had er reeds 4 weken na 13 februari 2004 een bouwaanvraag ingediend moeten zijn. Toen bleek dat niet aan deze voorwaarden was voldaan werden de voorwaarden aangepast.
In de brief van 22 juni 2004 staat: “Ik (Hoofd Grondzaken) kan u thans meedelen dat m.b.t. 1 van de inschrijvingsvoorwaarden er thans de voorwaarde wordt gesteld dat de aanvraag voor de bouwvergunning voor 1 augustus 2004 bij de afdeling vergunningen dient te zijn ingediend. E.e.a. ter correctie van de destijds opgenomen termijn van “binnen 4 weken na 13 februari 2004”. Samengevat de secretaris en de voorzitter van het DB hebben met het besluit van 22 juli 2004 (40722) gehandeld in strijd met de inschrijvingsvoorwaarden.

70609: 1b. Quellijnstraat 138-2

Op 6 juni 2005 nam het Dagelijks Bestuur het besluit om Quellijnstraat 138-2 te verkopen aan Zonnebloem BV voor 60.000 Euro (zie 50606).
Wat aan dit besluit op valt is dat er drie (rechts)personen op het appartement mochten bieden en dat dit merkwaardig genoeg precies dezelfde zijn als de bieders op de panden JvdH87+95.
Van de heer Boeren heb ik vernomen dat hij ook tot de bieders op de panden 2eJvdH87+95 behoorde. Eind 2004 waren alle panden op 2eJvdH89 na in het bezit van Boeren en Weijnen (en/of mede-eigenaren en/of BV”s waarvan zij (mede)-eigenaar zijn) (zie 70518)
Net zoals bij 2eJvdH87+95 wordt het appartement Quellijnstraat 138-2 heel snel doorverkocht voor een veel hoger bedrag (zie 60411, 61228a en 61228b).
Mevr. E. Visser heeft in oktober 2005 aangifte gedaan voor de fraude die het stadsdeel pleegde door het zonder toestemming van de VVE verkopen van Q138-2. Zij is op 7-3-2006 op 81 jarige leeftijd overleden. Enige weken daarvoor heeft zij mij diverse dossiers gegeven met het verzoek die voor haar te bewaren en eventuele procedures voor haar voort te zetten.
Mevrouw Visser was voorzitter van de VVE Quellijnstraat 138. Zoals uit de inspraak van mevrouw Visser op de commissievergadering van 6 september 2005 blijkt heeft de VVE geen toestemming gegeven aan het stadsdeel op de woning te verkopen, omdat het stadsdeel nog een aanzienlijke schuld had aan de VVE (zie 50906). In de desbetreffende vergadering is een stuk uitgedeeld waarin het stadsdeel erkent dat het nog een schuld heeft aan de VVE (50815).
Doordat het stadsdeel niet aan de notaris kenbaar heeft gemaakt dat er nog een financieel conflict was met de VVE en de VVE nooit zou toestemmen met de verkoop van Quellijnstraat 138-2 heeft het stadsdeel onrechtmatig gehandeld. Uit de leveringsakte blijkt duidelijk dat het stadsdeel het conflict met de VVE niet aan de notaris heeft gemeld (zie 51208).
De stadsdeelsecretaris en de stadsdeelvoorzitter hebben derhalve met het besluit van 6 juni 2005 onrechtmatig gehandeld.
Bij deze doe ik net zoals mevrouw Visser deed aangifte tegen de heren Boomgaardt en Jaensch in verband met fraude.

70608: 1c.Wat maakt de verkoop van de stadsdeelpanden dubieus?

Blijkens een memo van 8 februari 2005 aan het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel heeft dhr C.A.Baneke aangestuurd op een tender in plaats van een transparante verkoop via de veiling.
In de desbetreffende memo wordt ook het minimumverkoopbedrag van 60.000 Euro genoemd.
De inhoud van dit memo was tot juli 2005 niet openbaar.
Op 18 mei constateerden de betrokken ambtenaren Hovelmann en Baneke dat het maximale precies het minimumverkoopbedrag van 60.000 Euro was (zie 50606) .
De koper en een zakenpartner kochten daarna voor 2,5 keer zo veel de overige appartementen van de eigenaar-bewoners.
Het gehele pand werd na ruim 1 jaar met een winst van totaal 265.000 Euro doorverkocht.
Zie koopsomoverzicht kadaster (70505) en de leveringsakte (51208) . Uit de leveringsakte van Quellijnstraat 138-1 blijkt dat 2 van de personen die werden uitgenodigd om te bieden gezamenlijk eigenaar zijn van Deenik Weijnen Vastgoed BV (zie 61101).
Anders dan in de leveringsakte van 8 december 2005 staat vermeld werd de woning niet bewoond. In december 2005 ben ik met mevrouw Visser in de woning geweest en heb ik kunnen zien dat daar nog wel huisraad stond, maar dat er niet werd gewoond. Dit bleek onder andere uit de hoeveelheid ongeopende brieven en de dikke laag stof op tafels en gebruiksvoorwerpen.
Het is zeker niet ondenkbaar dat ambtenaren van het stadsdeel wisten dat de woning niet werd bewoond op het moment van het opstellen van de tender en de verkoop.
Doordat deze informatie niet bij het Grondbedrijf aanwezig was, kon het blijkbaar akkoord gaan met de lage minimumverkoopprijs van 60.000 Euro.

70607: 1d. Samenvatting dubieuze verkoop panden door stadsdeel

Totaal hebben de uitverkoren huizenhandelaren door de tenderverkoop maar liefst 1590.000 Euro overgehouden aan de transacties met de drie panden. De gehele periode dat zij eigenaar waren van de panden hebben de panden leeg gestaan en is er niets aan de panden gedaan.
Medio 2005 hebben de verantwoordelijk wethouder dhr Jaensch en de hoogst verantwoordelijke ambtenaar mevr. Holl de verkoop van de panden en de afronding van de projecten verdedigd in de stadsdeelraad. Na kritische vragen /opmerking van de raadsleden liet mevr Holl haar tranen lopen en gaf daarmee non-verbaal aan dat er iets niet goed is gegaan. Na 2 maanden was ze geen hoofd REO meer en enkele maanden later heeft zij het stadsdeel verlaten.

De volgende personen waren bij de verkoop van de panden betrokken:
Dhr. J.A.S. Boomgaardt (stadsdeel secretaris), Dhr. J.C. Hellendoorn (stadsdeelvoorzitter tot 2005), Dhr E.J. Jaensch (verantwoordelijk wethouder), Mevr P.J.H.M. Holl (hoogste ambtenaar REO) en de heren R.R. Vlasman, W. Hovelmann en C.A. Baneke van de afdeling Grondzaken.

70606: 2. Willekeur en onrechtmatig handelen ambtenaren stadsdeel

Ambtenaren van bouw- en woningtoezicht kunnen op verschillende manieren pandeigenaren bevoordelen en benadelen. Het al dan niet verstrekken van een bouwvergunning of het al dan niet goedkeuren van een verbouwing heeft vaak enorme financiële gevolgen.
De waarde van een pand stijgt sterkt als de bewoners er uit zijn en het pand mag worden gesplitst. De waarde van een pand wordt negatief beïnvloed als het stadsdeel de eigenaar verplicht om het pand aanzienlijk te renoveren, terwijl het onmogelijk wordt gemaakt de huren te verhogen. Inspecteur Ron de Waal deed dit door het zeer willekeurig aanschrijven van de panden en het actief meewerken om de bewoners uit bepaalde panden te krijgen.
Het stadsdeel was eigenaar van 2 panden in de stadsvernieuwingslocatie 2eJvdH85-99.
De particuliere eigenaren wilden in 1999 de panden zeer rigoureus renoveren en daarna de huren verhogen en/of verkopen als appartementen. Het stadsdeel bood hiervoor in 1999 faciliteiten om dit mogelijk te kunnen maken (990608). De bewoners van mijn pand werden op grond van een vernieuwbouwvoorstel stadsvernieuwingsurgent en kregen een verhuiskostenvergoeding van het stadsdeel (990730). De eigenaar van 2eJvdH93 kwam met een soortgelijk plan (991110). Desondanks werd het verzoek van de eigenaar van 2eJvdH93 om uitplaatsingsbemiddeling niet gehonoreerd (001213).
In 2001 deed het DB van het stadsdeel een voorstel aan de raad om de bewoners van hun panden 2eJvdH87+95 uit de woningen te zetten om deze te kunnen verkopen als appartementen. De meerderheid van de raad was tegen dit voorstel.
Het stadsdeel bood haar panden in 2004 te koop aan een select groepje huizenhandelaren.
Hoewel de uiteindelijke koper nimmer aan de inschrijvingsvoorwaarden heeft voldaan, kreeg hij ook nog andere gunstige faciliteiten.
Inspecteur Ron de Waal gaf de panden die het stadsdeel had verkocht aan Sandstenenprojecten BV een aanschrijving op grond waarvan de bewoning wel gestaakt moest worden. Volgens inspecteur de Waal waren de panden van het stadsdeel zodanig verzakt dat de balklagen horizontaal gelegd moesten worden (41202A en 41202S87). Volgens de begeleidende brief van juridisch medewerker dhr R.A.F. van der Brug zouden de bewoners van de stadsdeelpanden verplicht moeten worden uitgeplaatst (41202A) , omdat de panden vrij van huur moesten worden opgeleverd. Het stadsdeel verkocht de panden voor een habbekrats en ging vervolgens meewerken om de huurders definitief uit te plaatsen.
Hoewel de andere eigenaren vrijwel net zo zwaar werden aangeschreven, kregen zijn niet de mogelijkheid om gebruik te maken van uitplaatsingsbemiddeling van de gemeentelijke Dienst Wonen. De particuliere eigenaren van de panden 2eJvdH89-91-93 moesten veel geld investeren, terwijl daar geen opbrengsten tegenover zouden staan. Zij zaten behoorlijk klem.
De eigenaren van de panden 2eJvdH91 en 93 verkochten onder deze druk hun pand medio 2004 aan dhr R.J. Boeren van Semper Bibere BV-Moret Bailly BV.
De heer Boeren was begin 2004 net zoals dhr Weijnen uitverkoren om op de stadsdeelpanden 2eJvdH87en95 te bieden. Hoewel de vorige eigenaren geen uitplaatsingsbemiddeling van het stadsdeel kregen toegekend, kreeg dhr Boeren deze faciliteit direct.
Volgens de voormalige bewoners van de panden 2eJvdH91en93 bood het stadsdeel aan dhr Boeren ook nog andere faciliteiten.
Volgens de heer Simon Haringa (thans wonend op Hoogte Kadijk xxx telnr 020-679xxxx) werden de bewoners direct nadat Boeren eigenaar was stadsvernieuwingsurgent. Inspecteur de Waal organiseerde zelfs voor de heer Boeren bijeenkomsten op het wijkcentrum om de bewoners uit te plaatsen. Volgens de heer Haringa heeft Ron de Waal hierbij nadrukkelijk gewezen op de geweldige aanbiedingen die dhr Boeren deed. De heer Haringa heeft meerdere keren ingesproken over de rol van onder andere het stadsdeel bij het project.
De heer Boeren en dhr Weijnen en dhr Deenik (de door het stadsdeel uitverkorenen) hebben mij ook meerdere keren gepolst of ik mijn pand niet wilde verkopen. Hierbij werd mij nadrukkelijk vermeld dat het mij toch niet zou lukken om mijn pand te renoveren, terwijl zij alles bij het stadsdeel voor elkaar konden krijgen.

Inspecteur de Waal werd weliswaar betaald door de overheid maar bij het project 2eJvdH was hij bezig met het bevoordelen van de heren Boeren en Weijnen en het tegenwerken van de andere eigenaren. Deze tegenwerking heeft mede veroorzaakt dat mijn pand 2eJvdH89 door brand verloren is gegaan.

70605: 3. Het dubieuze handelen van inspecteur de Waal

Inspecteur de Waal kreeg begin 2004 de opdracht de panden van de locatie 2eJvdH87-95 aan te schrijven waaronder de panden 2eJvdH87+95 van het stadsdeel.
Ik had reeds sinds 2000 een bouwvergunning voor 2eJvdH89 en ik had de bovenwoningen reeds klaar gemaakt voor het noodzakelijke funderingsherstel en het horizontaal leggen van de vloeren.
Ik kon echter niet verder met de renovatie, omdat de gebruiker van de bedrijfsruimte weigerde om mee te werken. Doordat het stadsdeel de bedrijfsruimte in 1999 zonder het vereiste besluit had samengevoegd kon de gebruiker, terwijl hij geen woonvergunning en geen huurcontact had voor de woning op de eerste verdieping naar de huurcommissie om huurverlaging aan te vragen op grond van de scheve vloeren. Aanvankelijk werd dit door de huurcommissie afgewezen omdat de overeenkomst betrekking had op bedrijfshuur (zie 10306), maar in laatste instantie werd dit door het Gerechtshof toch toegewezen omdat het gebruikte object volgens de registratie 1 geheel was . Hierdoor kreeg de gebruiker van de bedrijfsruimte er gratis een woning bij met een bijzonder lage huur van 200Euro/mnd voor twee bouwlagen van totaal 160m2. De huur zou pas weer opgetrokken kunnen worden aan de huur van het oorspronkelijke huurcontact bedrijfshuur nadat de vloeren horizontaal waren gelegd. (opmerking: pas op 70829 oordeelde de Raad van State dat het ging om 2 objecten met afzonderlijke bestemmingen)
De gebruiker had er dus alle belang bij om te voorkomen dat dit zou gebeuren.
De gebruiker was vanaf 990730  SV-urgent en kwam in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding van het stadsdeel, maar heeft hiervan nimmer gebruik willen maken, terwijl hij in aanmerking kwam voor alle door de woningbouwverenigingen aangeboden woningen. Ook een tijdelijke stallingsruimte voor zijn motoren wilde hij niet accepteren. Doordat de gebruiker niet wilde meewerken werd het herstellen van de fundering onmogelijk.
Aangezien de overige drie bewoners van mijn pand naar alle tevredenheid gebruik hadden gemaakt van de uitplaatsingsfaciliteiten van de Dienst Wonen en de uitplaatsingsvergoeding van het stadsdeel, waren de bovenste drie verdiepingen reeds sinds medio 2000 klaar voor de renovatie. Aangezien tijdelijke verhuur niet mocht op grond van het uitplaatsingscontract en de toenmalige regels zijn de verdiepingen kaal gesloopt zodat de vloeren horizontaal gelegd konden worden.
In april 2002 werd het pand voor de eerste keer gekraakt. De rechter wilde het pand pas ontruimen als er met het funderingsherstel begonnen kon worden. Uiteindelijk heeft de OvJ het pand laten ontruimen, omdat de krakers veel overlast veroorzaakten en aantoonbaar gereedschappen en bouwmaterialen hadden gestolen.
In oktober 2003 werden de bovenwoningen voor de tweede keer gekraakt. Met bemiddeling van de buurtregisseur zijn daarna zodanige afspraken gemaakt dat ik heb ingestemd met het gebruik van de bovenste bouwlagen door maximaal 2 personen die het pand direct zouden verlaten zodra ik kon beginnen met het funderingsherstel. Met de bewoners heb ik bovendien afspraken gemaakt om in overleg met mij de verdiepingen tijdelijk bewoonbaar te maken.
Door de aankondiging van de aanschrijving werden de bewoners echter argwanend.
Tijdelijk bewoonbaar maken was immers geen optie meer, omdat een grondiger definitieve renovatie volgens de aanschrijving noodzakelijk was.

Als dhr de Waal zijn taak en de opstelling van de aanschrijving volgens de regels en op tijd had uitgevoerd was mijn pand niet in brand opgegaan.
1.Bij het aanschrijven van de panden 2eJvdH89-91-93 hadden de regels van het handboek basiskwaliteit (kader voor actief aanschrijven in Amsterdam) gehanteerd moeten worden.
2.Het stadsdeel had het integrale handhavingsbeleid met betrekking tot brandveiligheid moeten hanteren bij 2eJvdH89.
Dhr de Waal was als inspecteur verantwoordelijk voor bovenstaande 2 punten.
In februari 2004 kondigde het stadsdeel aan dat de panden 2ejvdH87-95 werden aangeschreven door behandelend inspecteur de Waal. Sindsdien heb ik zeer veel contact gehad met dhr de Waal. Zoals uit de bijgevoegde emails blijkt heb ik hierbij veelvuldig gewezen op de brandveiligheid en de scheve vloeren (zie 51108 bericht van 40322).

70604: 4.Scheve vloeren

Als de vloeren van een pand volgens het Handboek Basiskwaliteit (kader voor actief aanschrijven in Amsterdam) schever zijn dan 2 cm op een meter dan moet het pand aangeschreven worden om de vloeren horizontaal te leggen.
Ik was heel goed op de hoogte van de scheefstand. De gebruiker van de bedrijfsruimte zou immers huurverlaging kunnen krijgen, omdat het pand schever was dan de norm van de huurcommissie 15mm op een meter (zie 10306) . Dit was ook het enige gebrek op grond waarvan de huur werd verlaagd.
Ik had er dus alle belang bij dat het pand werd aangeschreven op de scheve vloeren.
Als het pand 2eJvdH89 net zoals het pand van het stadsdeel was aangeschreven om de vloeren horizontaal te leggen was er sprake van sloop van een woning en herbouw.
Daarna kon ik via de rechter afdwingen dat ik in de gelegenheid moest worden gesteld om de vloeren horizontaal te leggen. Voor het horizontaal leggen van de vloeren moeten de balken omhoog en/of omlaag worden gelegd en dat kan alleen als de planken eraf zijn en daartoe moet het pand eerst geheel leeg worden gemaakt. Het spreekt voor zich dat de bewoners bij zo”n ingrijpende ingreep de woning moeten verlaten.
Ik heb dhr de Waal veelvuldig verzocht om het pand aan te schrijven op scheve vloeren en de brandonveilige situatie (zie bij voorbeeld 51108) . In de vooraanschrijving van 17 mei 2004 stond echter niet vermeld dat de vloeren horizontaal gelegd moesten worden. Toen ik dhr de Waal om een verklaring vroeg, zei hij dat dit niet nodig was, omdat ik al had aangegeven dat ik dat zou doen. Hij gaf verder aan dat dit bij de definitieve aanschrijving die snel zou komen kon worden aangepast.
Toen ik op 41202 de definitieve aanschrijving kreeg, bleek dat de vloeren van mijn pand 2eJvdH89 nog steeds niet horizontaal gelegd hoefden te worden. Het was des te vreemder dat de panden die waren verkocht via de tender aan de huizenhandelaar wel werden aangeschreven om de vloeren horizontaal te leggen. (zie 41202S87 en 41202B89).
Tegen de aanschrijving heb ik onder andere bezwaar gemaakt, omdat ik volgens het kader actief aanschrijven ook aangeschreven had moeten worden om de vloeren horizontaal te leggen.
In 2000 heb ik samen met de andere eigenaren de panden laten waterpassen in verband met het benodigde funderingsherstel. In 2005 heb ik de vloeren weer waterpast (zie 50320).
Op 21 maart 2005 (50321) heb ik het stadsdeel nogmaals verzocht om de scheefstand van de panden 2eJvdH87-95 te verifiëren, maar op 50412 liet het Dagelijks bestuur van het stadsdeel weten dat het beschikte over voldoende gegevens over de scheefstand.
De hele stadsdeelorganisatie neemt het blijkbaar op voor een ambtenaar die aantoonbaar onjuist heeft gehandeld.
Ik kan met behulp van opgenomen telefoongesprekken aantonen dat dhr de Waal meerdere keren toezeggingen heeft gedaan om de scheefstand op te nemen in de aanschrijving en dat dhr de Waal dit later toch niet heeft gedaan.
Nadat mij bekend werd dat in de definitieve aanschrijving de vloeren van 2eJvdH89 niet waren aangeschreven, heb ik veelvuldig contact gehad met dhr de Waal om de vloeren van alle panden op te meten om zodoende de aanschrijvingen te kunnen aanpassen (zie o.a. 50321).
Uiteindelijk gaf dhr de Waal aan dat hij van het stadsdeel geen opdracht mocht geven om alle panden op te meten.
Op 8 maart 2005 is het pand 2eJvdH89 door brand verloren gegaan.
Met behulp van opgenomen telefoongesprekken kan ik aantonen dat dhr de Waal toezeggingen heeft gedaan en deze later niet is nagekomen. Hierbij zei dhr de Waal steeds dat de afdeling niet wilde meewerken.
Ik heb echter sterke aanwijzingen dat dhr de Waal tegen mij andere dingen zei dan tegen zijn collega”s van het stadsdeel.
In de pleitnotitie van het stadsdeel voor de beroeps- en bezwaarschriftencommissie van 60811 staat op pagina 2: Het is overigens ook niet juist dat de heer Wildevuur uitgeplaatst zou moeten worden indien de heer Bremer wel zou zijn aangeschreven tot het horizontaal leggen van de vloeren. De behandelend inspecteur is ermee bekend, dat de heer Wildevuur in dat geval de eerste bouwlaag zou betrekken ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden op de tweede bouwlaag om vervolgens tijdens het vernieuwen van de fundering weer terug zou gaan naar de tweede bouwlaag.
De behandelend inspecteur dhr de Waal wist dat dhr Wildevuur helemaal niet wilde meewerken. Tegen zijn collega’s heeft hij blijkbaar iets anders gezegd. Bovendien was het om technische redenen niet mogelijk, want voor het horizontaal leggen van vloeren worden de balklagen vervangen of verlegd. Voor het horizontaal leggen van de  balklaag tussen 1-hoog en 2-hoog moeten dan beide verdiepingen geheel vrij zijn.
Ik kan op grond van meerdere documenten en vastgelegde gesprekken aantonen dat dhr de Waal aan mij te kennen heeft gegeven dat hij wist dat dhr Wildevuur niet wilde meewerken aan de renovatie.

Samengevat: Dhr de Waal wist dat het aanschrijven van de vloeren van groot belang was, omdat de gebruikers anders de renovatie verder onmogelijk konden maken.
De heer de Waal beschikte over een vonnis van de rechtbank waarin stond dat de krakers pas konden worden ontruimd als de bedrijfsruimte leeg was voor het funderingsherstel.
Door de weigering om het pand aan te schrijven op de scheefstand en de weigering om mee te werken op het onbewoonbaar verklaren in verband met de extreem brandonveilige situatie en het afwezig zijn van gas- en elektra kon er niets aan het pand worden gedaan.
Dhr de Waal heeft willens en wetens het pand ten onrechte niet aangeschreven om de vloeren horizontaal te leggen. Dhr de Waal heeft zijn collegax92s andere informatie gegeven dan hij had moeten doen en hij aan mij heeft meegedeeld.

Twee jaar na de brand werd pas begonnen met het funderingsherstel en het horizontaal leggen van de vloeren van alle panden van de locatie 2eJvdH87-99 (zie foto 70107).
Alle balklagen van de panden 2eJvdH87 t/m 2eJvdH99 zijn in de jaren 2007 t/m 2009 volledig vervangen.